Dag 33 | Etappe 31 | Brunssum | 205,0km | 2893,0km
![]() | ![]() |
Het ritme zit er goed in, net na zevenen ben ik mijn spullen al aan het pakken. Zojuist tijdens het douchen in de bedompte cabine, waren er duidelijk druppels op het dak te horen. Mijn tent staat onder de bomen en is goeddeels droog. Aan de lucht te zien blijf ik dat niet vandaag. Daarbij staat er een hard wind die de bomen op de helling aan de overzijde heen en weer wiegt. Ik zie een beetje op tegen de etappe van vandaag. Regen, wind, de steile klimmetjes van de Ardennen en een overnachting op een belgische camping. Hier blijven zou alleen een optie zijn bij mooi zomerweer. In de tent liggen met regen is helemaal niet mijn ding, dan maar liever fietsen, nat is het toch al. Om half negen rijd ik het bruggetje naar de weg over. Het regent nog niet en de invloed van de wind is hier in het diep uitgesleten dal alleen merkbaar aan de koude lucht. Zweethemd, fietsshirt, fleece én regenjack zijn mijn bescherming daar tegen. De eerste echte klim laat niet lang op zich wachten en eenmaal boven ben ik de beschutting van de groene hellingen kwijt. De wind lijkt van alle kanten te komen, behalve van achter mij. De regen striemt mijn gezicht tijdens de korte afdalingen. In de opvolgende klimmetjes rijd ik mijzelf volledig in het zweet. Nat van buiten, nat van binnen.

In Wiltz sla ik groot in bij de plaatselijke banketbakker. Veel zoete broodje, met dit weer neemt het suikerverbruik enorme proporties aan. Goed eten is de enige manier om vandaag in het zadel te blijven. Als ik buitenstap rijdt - hoe toevallig - Rik voorbij. Hij houdt even in om mij bij te laten komen. Zijn nacht was niet zo geweldig in het jeugdhotel van Wiltz en daarom is hij maar weer vroeg op pad. Vandaag fietst hij naar huis. Ik laat het even op mij inwerken: tweehonderd kilometer op een dag, op een mountainbike. Vol ongeloof praat ik met hem erover, of dat haalbaar is, hoe hard hij dan wel niet fietst, of hij wel genoeg kan eten en drinken. Hij zal er daarvoor vaak af moeten en dat kost tijd. Mij vraagt hij hoevaak ik dan stop, en waar ik lunch. "Lunchen?", vraagroep ik. "Ik stop nooit, hooguit om even te pissen, verder rijd ik zoveel mogelijk door. Op de fiets kan ik altijd zittend eten!" "Maar, hoe doe jij dat dan? Je hebt amper iets bij je." Rik grijnst en zegt: "Typisch 'n ollander, z'n eigen brood meenemen. Ik ga op restaurant natuurlijk. Neem daar 'n uur en een half voor. Zeker één pintje erbij, awel vaak twee toch..." Belg dat ie is! Ik zou geen meter meer trappen met 2 biertjes in mijn benen. Hij doet dan nog ruim honderd... We rijden tot voorbij de belgische grens samen op. Hij vind het wel gezellig even te kletsen en ik kan hem er niet afrijden. Op een bruggetje op het fietspad net buiten Wiltz help ik hem even met zijn kaartenstandaard. Die klapt bij elke hobbel voorover. Mijn toolset biedt uitkomst, de goed uitgeruste "ollander" komt van pas. Tegelijk wisselen we adressen uit met in onze achterhoofden de gedachte dat de kans klein is dat we elkaar nog eens treffen.
Van de heenweg weet ik dat de weg die over de grens voert steil is. Toen ging het met grote snelheid naar beneden. Ik schat een percentage van veertien procent. Rik is er ook van op de hoogte en schat zijn en mijn kansen in. Hij verwacht dat we beiden moeten gaan lopen. Ik reageer maar niet, ik wacht het wel af al heb ik weinig goede hoop op fietsend boven komen. In Oberwampach linksaf staat de helling als een muur recht voor ons. Glinsterend van de vele regen die het afgelopen uur al viel en hier tussen de loskomende modderplekken die achterbleven van de banden van landbouwvoertuigen die het lokale verkeer vormen. Mijn blik vernauwt zich tot het asfalt een paar meter voor mij, ik weiger helemaal de hoogte in te turen. Hoeveel ontmoediging heb ik nodig om meteen af te stappen? Rik roept een keer "Wow, da's echt steil". Ik probeer nu alle indrukken van buiten te negeren. Ik schakel tot op het laagste verzet, kom uit het zadel en geef op de eerste paar meters wat extra gas om mijn lichaam snel tot bergwerk aan te zetten. Dan wat meters zitten en het tempo modereren tot een haalbare ademfrequentie is ontstaan. Gelukkig ben ik al goed warm gereden, rijd ik hier in het gezelschap van een vriendelijke en bemoedigende kerel en maak ik mij niet druk over de meters verderop, maar alleen over deze enkele voor mij. Na 100 meter ga ik weer staan en in een gestage cadans duw ik door. Rik roept nog meerdere keren iets, hij fladdert wat achter mij, geeft mij de ruimte en haalt me -hoe sociaal- niet in. Hij schreeuwt zichzelf omhoog, is onder de indruk van de helling en verbaast zich over mijn doorrijden. Ik pomp door en houd daarbij in de gaten dat ik niet in het rood rijd. Het lukt net, rechtuit rijden, in balans blijven en iets overhouden. Ruim vier weken training om hier in totale beheersing boven te komen, wetende dat de dag nog lang en vermoeiend is.

We stoppen boven niet om te rusten, hij heeft haast om thuis te komen. Dat zal niet voor tien uur vanavond zijn. Tot Bourcy kletsen we nog wat over de mogelijkheid tweehonderd kilometer op een dag te rijden. Z'n plan spreekt me aan en in mijn hoofd is een zaadje geplant. Hij vertelt over zijn verleden als sport belofte. De triathlons die hij deed en het hoge niveau waarop hij presteerde. Als jonge hond ging hij vaak te ver, zonder rem reed hij zichzelf leeg en op. De reden waarom hij destijds is gestopt en daarna lange tijd niet aan sportbeoefening deed. Het is een aangrijpend verhaal vol teleurstelling, mislukking en wanhoop. Maar toch fietst hij hier alsof het niets is, gaat het goed met hem en is hij op weg naar zijn zoontje om daar de komende dagen mee op te trekken. Zijn beroep is houthakker. Wanneer hij mij dat vertelt lach ik hard. Rik is een klein iel mannetje, ik zie hem niet met een zware bijl een grote woudreus vellen. Vanwege de fysieke zwaarte is hij dan ook op zoek naar ander werk. Bourcy komt snel dichterbij en dan komt er ook een eind aan ons samenzijn. We wensen elkaar alle goeds en met een stevige versnelling vergroot hij vlot de afstand tussen ons. Ik sta er weer alleen voor. En hier in dit mij zo bekende terrein zie ik dat wel zitten. Het plan in mijn hoofd is gevormd, ik ga proberen vandaag tot Brunssum te fietsen zodat ik komende nacht bij mijn moeder kan slapen. Dat scheelt in camping zoeken, tent op zetten en alles wat daarbij komt. Dat is makkelijk een uur of twee winst. En daar komt nog eens bij dat ik dan ook gerust langer door kan fietsen dan tot acht uur. Al fietsend sla ik aan het rekenen op een haalbaar schema. Tussen tien en elf aankomen bij 13 kilometer per uur gemiddeld is haalbaar en zelfs realistisch.
Op de lange afdaling langs de Lienne probeer ik alvast wat voorsprong op het schema te maken. Ik trap zo hard ik kan bij en rijd continu boven de dertig per uur. Later volgen de zware klimmen van de noordelijke Ardennen, met de Rosier als absoluut hoogtepunt. Ik zal mijn voorsprong nodig hebben. De wind blijft stevig aan mij trekken en regelmatig slinger ik over het wegdek bij een stevige vlaag van links of rechts. Het regent niet onophoudelijk, maar echt droog is ook het niet. De pauzes die ik neem om te eten en drinken - mijn handen zijn zo verkleumd dat het al fietsend amper lukt iets binnen te krijgen - blijven beperkt tot een paar minuten. Vanaf het moment dat ik stilsta rilt mijn lichaam van de afkoeling. Barre omstandigheden. Het voelt heroisch om zo rond te fietsen. Er zijn maar weinig mensen op straat, en ook is er minimaal snelverkeer. De rust van het verkeer staat in schril contrast met de woestheid van het weer. Bij een houten bushokje schuil ik wat langer. Uit de wind kom ik even op adem en eet en drink zoveel ik nu op kan. Al zeventig kilometer gereden, ik zou hier het liefst een paar uur gaan liggen om bij te komen. Op geen enkele manier kan ik me voorstellen dat ik vanavond in Brunssum zal aankomen. Nog twee keer de afstand die ik tot hier heb gefietst...
Rond half vier sta ik aan de voet van de klim naar Rahier. Het bruggetje over en dan rechts de steile en smalle weg omhoog. Dit is de eerste echt serieuze klim van het belgische stuk. Al de hele ochtend zie ik hier tegen op. Het gaat veel vlotter dan ik vermoedde en tot mijn geluk is er geen tegenliggend verkeer. In alle rust fiets ik omhoog en heb boven een prachtig uitzicht over de langgerekte vallei. Dan volgt een vliegende afdaling naar het stroomdal van de Amblève waar ik voorbij het bruggetje even stop voor wat proviand. De klim naar de Rosier volgt, de hoogste top. En vanaf hier, het diepste punt, is dat 11 kilometer klimmen. Ruim anderhalf uur. Het begint weer te regenen als ik aan het eerste stuk naar La Gleize bezig ben. Twijfelend over de duur van dit buitje rijd ik nog even verder om dan vloekend te stoppen en mijn regenjas weer aan te trekken. Voor de te ontwikkelen hitte bij beklimming had ik die alvast uitgedaan. Honderd kilometer heb ik er nu opzitten, al zeven uur onderweg en in het zadel. De vermoeidheid en lichamelijk frustratie van het niet kunnen rusten slaan toe. Ieder klein tegenslagje verandert in een haast overkomelijke ergernis. Het oversteken van de drukkere weg in La Gleize levert een woedeuitbarsting op. Ik vloek en tier op het verkeer, de slechte bebording, het natte wegdek en die verdomde tank op het pleintje naast de weg. Wat een onzin en gedoe hier allemaal! Ik wil in alle rust kunnen fietsen, flikker allemaal toch op!

Of de kracttermen helpen weet ik niet, aan de overkant van de weg vervolgt de klim via Borgoumont en Cour naar de top van de Vecquee. Het uitzichtspunt bij Cour, waar ook een bankje staat, toont me dat ik weer helemaal Zen ben. Ik geniet ondanks de koude wind een paar minuten van het uitzicht. Mijn weg vervolgend merk ik hoe makkelijk ik deze klim verteer. Mijn gedachten kunnen overal zijn, mijn lichaam trapt de meters asfalt onder mij weg. En elke trap brengt me haast vanzelf dichter bij de top. Weer maak ik me geen zorgen of ik het ga halen, zolang ik fiets en in beweging ben is het goed. Het leven is gereduceerd tot een monotone beweging en het voelt heerlijk. Eindelijk boven geniet ik even van het moment en neem uitgebreid de tijd om mijn blaas en darmen te legen. Dat lucht erg op, mogelijk had ik in het dal ook wat last van deze ballast. Met een lekker vaartje knal ik op Spa af. Het regent aan deze kant van de helling niet meer, het klaart zelfs wat op in de verte, daar waar mijn doel ligt. Alles in het teken van het tijdig halen van de eindstreep, laat ik Spa links liggen ook al weet ik daar zeker proviand te kunnen scoren. Mijn voorraden zijn aanzienlijk geslonken en met nog tachtig kilometer voor de boeg heb ik water, cola en zoetigheid nodig. De motor draait nog wel soepel, toch kan ik geen risico nemen. Tachtig kilometer is normaal een te doen ritje. Na hondertwintig kilometer door het terrein van de Ardennen, en met nog wat heuvels voor de boeg wordt het een ander verhaal. Ik kan pas juichen als ik vanavond in Brunssum in bed lig.
Na zessen, Sart. Hier is vast een supermarkt zo druk is het verkeer in het kleine dorpje. Even vragen, en ja hoor maar 20 meter van de route, verstopt op een klein pleintje aan de rand van het dorp, niet ver van de hoofdweg. Het is een piepklein supermarktje. We kennen het in Nederland niet meer. Een gezinnetje dat het runt, moeder, vader en zoon. Met drie klanten is het er al bomvol. Ik sla in zoveel ik kan meenemen. Op de stoep tegenover mijn fiets staat een groepje hangjongeren mij uitgebreid aan te staren, alsof ik van Mars kom. Met een blik in hun richting weet ik dat dat voor hen zeker geldt, of dat ze hard op weg zijn ernaar toe te zweven. Over de provinciale weg Sart verlatend, kruis ik de snelweg van Verviers om daarna weer op een rustig weggetje te belanden. Het wolkendek begint open te breken en een lichtere lucht begeleidt mij de avond in. De aankondiging van een dertien procents helling maakt mij niet aan het schrikken. Halverwege merk ik voor het eerst vandaag aan wat voor een uitputtingsslag ik ben begonnen. Lichte kramp in mijn kuiten dwingt met terug in het zadel. Zeer rustig kom ik deze kuitenbijter over. Voorbij Limbourg volgt de laatste serieuze klim van de dag, die neem ik in alle rust en eenmaal boven een langere pauze. Het is bijna acht uur, ik heb er ongeveer hondervijftig kilometer opzitten. Nog ruim drie uur fietsen tot Brunssum. Ik bedenk dat ik het kan halen, dat de enige andere keus een hotel in Limbourg is. In Aubel op de heenweg vond ik er geen. Ik voel me fit en helder genoeg om door te fietsen. Na wat te hebben gegeten en gedronken, een poging doend te schuilen voor de harde wind die hier op de top overal doorheen blaast, bekijk ik de mogelijke opties om te komen tot Brunssum. Mijn kaartmateriaal is beperkt. De provinciale weg naar Aken lijkt mij de voordeligste optie. Ik vermoed weinig accidentatie en kan die weg tot voor Kelmis volgen om dan via Chapelle naar Vaals te rijden. De rest is een thuiswedstrijd. Met dit goedgekeurde schema in mijn hoofd is nu het moment om mijn moeder te bellen dat ik eraan kom. Ze weet helemaal niet dat ik in de buurt ben, net als op de heenweg een verrassing.

Vol goede moed en blije zin vervolg ik in hoog tempo de grote weg. Het gaat erg voorspoedig en veel sneller dan ik berekende. Toch is het al donker wanneer ik bij Vaals de grens passeer. Ik wacht met het aanzetten van mijn licht tot ik ook de klim naar Simpelveld achter de rug heb. Daarna zonder de klimmetjes van de heenweg proberen om in Heerlen te komen. Dat gaat in het donker en na bijna 200km in de benen dus mis. Ik passeer de Heerlerbaan zonder er erg in te hebben en sta na 10 minuten scheldend voor het station van Kerkrade. Via de weg langs de grens - ik rijd natuurlijk niet dezelfde weg terug - kom ik weer op hetzelfde punt uit en na het bekijken van 2 informatie borden met daarop een kaart waarin alleen Kerkrade staat ingetekend - de grote wegen van Heerlen wel maar geen info over bebouwing enzo - kies ik de goede weg en ben in 5 minuten bij het Grotius vanwaar ik de weg met mijn ogen dicht vervolg. Kwart over elf Brunssum bereikt en ik word nog opgewacht door mijn moeder. Ik heb geen zin meer om te eten. Een zakje chips en twee fantaatjes om de ergste dorst en "honger" te stillen volstaan. Om 2 uur slaap ik: eindelijk weer een echt bed. En een stoel om op te zittten daarnaast. Wat een enorme luxe is dit.
![]() | ![]() |



Geen opmerkingen:
Een reactie posten