Hallo,
Donderdagavond 3 augustus om 18.15u na 3085km en bijna 183 uur in het zadel arriveerde ik weer op de plek waar ik bijna 5 weken geleden ook vertrok. Heel veel ervaringen rijker, 3 kilo lichter en een vracht aan goede herinneringen maakten deze tocht meer dan de moeite waard. Het fietsen maakte mijn hoofd leeg om nieuwe ontmoetingen aan te kunnen gaan.
Ik heb genoten van alle facetten van de reis, de mensen, de omgeving, de natuur en het weer, de ups en de downs. Het meest blijft me bij hoe eenvoudig het leven kan zijn wanneer je het beperkt tot een paar basale zaken. Dan is zelfs een tegenslag iets om van te genieten. Het ervaren van het leven zonder die ervaring te labelen of te duiden maar enkel eenvoudigweg deze te ondergaan kwam mij na de derde week op pad toe. Dat zijn momenten geweest die mij rijker en sterker hebben gemaakt. Ik wens eenieder dezelfde rijkdom toe.
Voor volgend jaar wens ik mij weer een soortgelijke reis toe naar andere oorden. Van mijn ervaringen van de afgelopen weken hoop ik blijvend te kunnen profiteren.
In de komende weken zal ik mijn papieren logboek en de foto's toevertrouwen aan de digitale wereld. Zo hoop ik wat van mijn reis te kunnen delen.
Groet,
RobT
PS Voor de schaarse momenten dat ik onderweg een internet verbinding tot beschikking had, heb ik veel plezier beleefd en steun gehad aan jullie commentaren op mijn weblog, bedankt daarvoor. Ik hoop met mijn reisverslag ook nog te kunnen prikkelen tot repliek.
vrijdag 4 augustus 2006
donderdag 3 augustus 2006
Homebase
Dag 35 | Etappe 33 | Amersfoort | 69,3km | 3085,0km
![]() | ![]() |
Het regent al vanaf het moment dat we opstonden. Mireille opperde een paar keer dat mijn fiets best achter in haar auto kan en dat we dan gezellig samen naar Amersfoort kunnen rijden. Misschien nog wel met een toeristische tussenstop voor een foto van mij en mijn fiets. "In de regen zeker", antwoord ik een beetje cynisch. Veel zin om te fietsen heb ik niet, maar de laatste etappe niet rijden is mijn eer te na. Het plan om met de auto te gaan staat mij nog erger tegen. Rustig ontbijten we samen. Het is heerlijk om weer thuis te zijn en de dingen te doen die zo gewoon waren voor ik vertrok. Nu zijn ze bijzonder, ik geniet ervan. De onrust van het fietsen zit nog wel in mijn lijf. Na het ontbijt gaan we samen even de stad in. Ik geniet van het rondwandelen zonder verder ergens naar toe te hoeven. Het voelt goed om weer samen te zijn, ik voel me weer thuis. Onder het genot van een kopje koffie bij de Lux praten we bij over de afgelopen weken. Mijn fiets lijkt heel ver weg nu.
Wanneer we terug zijn in haar appartement ga ik gewoontegetrouw aan de slag met het opbreken van mijn tent, het inpakken van mijn spullen en het klaarmaken van mijn proviand. Ik kan me amper voorstellen hoe het is om dit niet meer te hoeven doen. Waar bestaat mijn leven vanaf morgen uit? De weersverwachtingen voor de komende week zijn slecht, het mooie en hete weer is echt voorbij, het heeft precies de julimaand aangehouden. Ik vermoed een hele natte augustus maand. Jammer, want ik had mezelf nog wel wat tochtjes zien maken in Nederland om geleidelijk af te kunnen kicken van deze lange tocht. Voor de lol in de regen fietsen doe ik alleen als er ook bedaarlijk gelachen kan worden om anderen die zich mateloos irriteren aan het nat worden. Zoals destijd in Hennef met Harrie. Alleen is er echt een stuk minder aan, aan het in de regen fietsen.
Om half drie fiets ik de Waalbrug over. Mireille zal tegen half vijf vertrekken zodat we tegelijkertijd in Amersfoort aankomen. We hebben nog een optie om samen een patatje te eten in Scherpenzeel, op tweederde van mijn route. Een bakje thuiskomfriet voor mij, 5 weken zonder is behoorlijk afkicken. Ik kies de Waalbandijk tot Dodewaard om dan via Opheusden en Kesteren naar de brug bij Rhenen te rijden. Ondanks de regen geniet ik van het stuk langs de Waal. Door en doornat bereik ik Opheusden. Net als gisteren heb ik enorme trek. De regen en de kou vreten alle energie op, er blijft steeds minder over om te fietsen. De plaatselijke bakker heeft vandaag een topomzet, de roombroodjes en rozijnenbroodjes zijn in één klap uitverkocht. Ik maak nog even een praatje met het bakkersmeisje, buiten regent het toch wel door, daar hoef ik niet bijzonder bij te zijn. Met licht tegenzin stap ik na een half uur weer op. Ik ben er nu wel aan toe dat het droog wordt. Vanaf Rhenen neemt mijn irritatie toe, het fietsen gaat minder en minder. De brug kom ik maar moeizaam over, terwijl de wind niet eens helemaal van voren waait.
Daarna neem ik de kortste weg naar Scherpenzeel, de vlakke dus. Links van mij de Rhenense berg, ik ben blij dat er een alternatief is. Bij het tankstation sla ik nog wat snickers in en een colaatje. Mijn tank raakt hoe langer hoe sneller leeg. In Veenendaal kies ik de weg naar Overberg om in Scherpenzeel uit te kunnen komen. Voor mij rijdt een fietsforens, net iets harder dan ik. Ondanks mijn vermoeidheid klamp ik toch aan en begin een praatje. Ik verwacht daardoor mijn moreel wat op te peppen. Ze antwoord wat nors en kortaf, het lijkt alsof ze niet verlegen zit om te kletsen, maar snel naar huis wil. Dan ziet ze mijn bepakking en draait haar stemming om. Tot aan de afslag naar Maarn voeren we een gezellig gesprek terwijl we met een vaartje van dertig voortsuizen. Nog een paar kilometer tot Scherpenzeel, het is al bijna helemaal droog. De afspraak is dat als ik niet bel dat ik dan niet stop voor friet in Scherpenzeel. Met mijn hernieuwde spirit zie ik mijzelf wel tot huis rijden, en extra opkikker is niet nodig. Een volle maag kan ik nu niet gebruiken, dan zie ik mijn fiets alsnog in de achterbak van een auto verdwijnen.

In plaats van rechtdoor over de weg naar Scherpenzeel, sla ik links af bij de Groep. Na wat slingers raak ik de weg kwijt, juist hier waar ik in het voorjaar zovaak fietste, weet ik op een moment niet meer precies waar ik ben. Ik wil het Valleikanaal volgen tot aan Leusden. Maar het begin van het fietspad aan deze kant heb ik nog nooit echt ontdekt. Ja op één toevallige keer na, vlakbij Lambalgen, maar daarvan kan ik me niet herinneren hoe dat ging. Na het bruggetje over de Luntersche beek, rijd ik één keer zoekend heen en weer om dan te besluiten via Scherpenzeel naar Achterveld te fietsen. Dan maar omrijden, dat zoeken kost teveel tijd. Eenmaal aan de rand van de bebouwing van Scherpenzeel, doe ik nog een laatste op goed geluk poging. Ik sla een weggetje in dat ik niet ken maar waarvan ik uit de richting waar het heengaat vermoed dat het me dichtbij het kanaal brengt. Een laatste poging om langs de meest toeristische route naar huis te komen. Op een paar bochtjes na sta ik na een minuut aan het begin van het fietspad langs het Valleikanaal. Een half uurtje van pedaleren over prachtig asfalt met aan de linkerzijde zicht op het water volgt. Ik ben weer thuis, dit ken ik, dit voelt prettig.
In deze bekende omgeving hoef ik niet meer op te letten op waar ik heen moet, mijn lichaam gaat op de automatische piloot, over het thuiskomen hoef ik niet na te denken. Dat geeft tijd en ruimte om vrij te gaan nadenken. Dat verwordt algauw tot piekeren. Wat nu? Hoe gaat het vanavond? Hoe is het om weer thuis te zijn? Wat wil ik nu? Tja, de afgelopen weken waren vast omlijnd. Het leek soms heel vrij, maar dat was zekere schijn. Het voornemen om een tocht als deze te maken gaf een duidelijke beperking. De vrijheid zat er in dat ik dagelijks vrij was te bepalen hoe het verloop eruit zag. Het kader lag vast in begin en eindpunt en twee datums. Over een uur is dat kader verleden tijd. Ik begin me een beetje zorgen te maken. Merk dat ik niet meer in het hier en nu fiets, maar dat mijn lichaam fietst en mijn geest probeert de tijd te versnellen om alvast te kijken hoe het straks gaat. Er komt onrust in mij, het fietsen is bijna over, de ingekaderde veilige en bekende vrijheid is ten einde. En maandag wacht weer het regime van werk. Straks is er weer de rol van partner in een relatie.
Ik merk bij mezelf behoefte aan wat rust, het verlangen naar wat tijd om de afgelopen tijd te laten bezinken. De bakens te verzetten naar het innerlijke resultaat van vijf weken met mezelf op pad zijn. Dat lukt me niet in dit ene uurtje dat me nog rest. En natuurlijk zijn er de afgelopen weken momenten geweest waarop ik hierover nadacht. En waarbij ik besloot dat het tijd nodig heeft en dat ik niet in de toekomst kan kijken. Dat is voor nu ook mijn conclusie. Het gaat verder zoals het verder gaat, ik kan het nu hier fietsend niet bedenken, niet weten, niet afdwingen, niet invullen. Hooguit wensen. Maar wat ik dan wens en hoe ik zou willen dat het eruit ziet? De rest van mijn leven op de fiets? Nee, dat is het niet. Dit fietsen was een middel om tot iets te komen. Dat heb ik bereikt en veel meer dan dat. De tocht is waardevol geweest. Ik heb inzichten opgedaan, ben moedig en sterk geweest, heb goed voor mezelf gezorgd. En ik heb veel nieuwe indrukken gekregen van de wereld, de mensen om mijn heen, mijn plek daartussen. Ik ben tevreden over de voorbije weken. Het sterke gevoel dat ik echt mijzelf ben tegengekomen en dat ik daar blij mee ben is overheersend over al het andere. Ik ben geslaagd voor de proeve die ik mijzelf heb gesteld, met vlag en wimpel. Dat waarvan ik niet wist waar het te zoeken, heb ik op deze reis gevonden. Ik ben thuis bij mezelf, de reis is teneinde.
![]() | ![]() |
woensdag 2 augustus 2006
Basecamp 2
Dag 34 | Etappe 32 | Nijmegen | 122,7km | 3015,7km
![]() | ![]() |
Vandaag ben ik ook weer om 6.00u wakker -het is tenslotte vakantie- maar blijf nog even liggen tot 7 uur. Daarna lekker lang douchen en langzaam aan doen, even genieten van het feit dat ik Nederland alweer heb bereikt. Net na achten sta ik bij Appie voor de ontbijtboodschappen: croissantjes, bramen, yoghurt, bruine broodjes, ham. Heerlijk, ik heb er zin an. Ik neem ook nog wat Provence mee in de vorm van een bosje zonnebloemen. Daarna gezellig een uurtje of anderhalf ontbijten met m'n moeder. Rond tienen begint het weer te kriebelen, ik zal toch weer op de fiets moeten om vandaag de op 1 na laatste etappe te gaan rijden. Ik ben benieuwd hoe ik het vlakke land ga overleven. De heuvels en dalen motiveerden me steeds om door te rijden, zeker de laatste dagen werd het fietsen steeds makkelijker ondanks het minder mooie weer.
Verassend snel weet ik in te pakken. Mijn moeder is verbaasd: ze vraagt zich af waar ik toch al die spullen die in de gang lagen, heb gelaten en of ik die dan niet moet meenemen. Om 12.00 zit ik op de fiets. Een kwartier voor het officiele depart, maar goed daar hoeft niemand zich in deze toer de frans aan te storen. Al na Schinveld merk ik dat mijn benen lang niet zo goed zijn als gisteren. Ik ben moe, heb gisteren te weinig gegeten en mijn spieren zijn onvoldoende opgeladen om goed door te kunnen fietsen. Ik besluit tot een wandeletappe maar blijf af en toe proberen om steviger aan te zetten. Met de forse tegen- en zijwind is dat eigenlijk hopeloos. De teller komt niet veel hoger dan 20 in het uur. Gelukkig had ik een zeer conservatief etappe schema opgesteld. Met mijn verminderde moraal -waar blijven die uitdagende klimmetjes nu- twijfel ik ook aan de haalbaarheid van dat schema.

Koningsbosch, Posterholt, St. Odilienberg ben ik al gauw voorbij en het lijkt allemaal veel sneller te gaan dan op de heenweg. Dit gevoel heb ik al vaker gehad tijdens de terugtocht. Benieuwd hoe dat komt. Ben nu niet in zo'n filosofische stemming om daar dieper op in te gaan, wie weet later nog een keer bij voorkeur op een berg met uitzicht. Ook de vervelende rondweg van Roermond laat ik snel achter me en eigenlijk zonder problemen. Ik begin serieuze trek te krijgen. Mis natuurlijk de overdaad aan suikers uit Frankrijk: rozijnenbroodjes, amandelcroissants, chocoladebroodjes, appelflappen. Nog 1x op z'n Frans dan: Pain aux Raisin, Croissant aux Amandes, Pain au chocolat, Chausson Pomme. Vooral de laatste zijn echte energiebommen waar ik een soort raketaandrijving van krijg.
In Swalmen stop ik bij de plaatstelijke Boulangerie/Patisserie. Geen rozijnenbroodjes -mijn favoriet- maar wel croissants met bakkersroom en een luxe appelflap. 2 van de eerste voor de bodem en nog een appelflap voor de extra boost. De roombroodjes werk ik in een minuut naar binnen, lijk wel uitgehongerd. Het is ook niet echt warm ik heb al wat buitjes achter de rug en het warmstoken kost mijn lichaam een hoop energie extra. Ik verlang erg naar de hitte van de Provence. Die broodjes smaken erg goed en even overweeg ik om er nog maar 2 te kopen, ik ben er nu toch. Om al te grote maag problemen te voorkomen stap ik maar weer op, eerst dit maar eens verteren en verbranden. Ik ben opgekikkerd en rijd met goede moed verder naar Venlo. Daar de eerste verwarmende zonnestralen. Trui en regenjas -echt zeldzaam dat ik die allebei aan heb deze toer- gaan uit ik stop voor een goede plaspauze en ben op weg voor de laatste 60km van deze dag, de eerste zitten er op.
In Arcen eindigt het fietspad langs de N271 en ik raak hier de weg kwijt. Natuurlijk vertrouw ik er op dat ik ook nu weer blind de weg naar Nijmegen vind. In Arcen is het hopeloos druk met dagjes mensen. Ik vraag me af of er iets bijzonders te doen is of dat het hier in de zomerperiode altijd zo'n kermis is. Het lijkt de efteling wel zo inmens druk is het. Hier wil ik heel snel weer weg. Ik zie bordjes met de Maasduinen route en vreselijke visioenen van lange saaie wegen door Duitsland verschijnen voor mijn geestesoog, nee dat zeker niet, niet nog 20 km omfietsen. Ik rijd een paar keer een weggetje in dat uitkomt op het autoweg gedeelte van de N271. Hier geen goede fietsbewegwijzering zoals in Venlo waar je keurig de stad door en uitgeleid wordt om de route naar Nijmegen te kunnen vervolgen. Het lijkt alsof ik op een doodlopende weg zit. Steeds maar die N271 waar het verkeer met hoge snelheden vlak voor mij voorbij raast. Even overweeg ik om dan maar via de autoweg mijn pad te vervolgen. Toch te gevaarlijk en waarom stranden met de haven bijna in zicht? Ik rijd wat plattelandsweggetjes af en zie in de verte fietsers mijn richting op komen, daar moet ik naar toe, zij komen duidelijk van de Nijmeegse kant. Na een paar kilometer ben ik eindelijk weer op het juiste pad.
Vlak voor Well pauzeer ik om de Chausson Pomme te verorberen. Die is echt heel erg goed, zo lekker heb ik ze in Frankrijk niet gehad. Die bakker in Swalmen, daar wil ik nog wel een keer naar toe. Well bereik ik op schema tijd, eigenlijk een kwartier te laat dus. Ik heb wat sms contact met de finish-official en mag mijn eetwensen kenbaar maken. Veel vet en lekker daar heb ik zin in. Nog steeds enorme trek. Het is vandaag "te koud", wennen hoor dit kikkerland klimaat. Nu op naar Milsbeek waar mij de klim -ik verheug me er nu al op, ik begin stevig te balen van de vlakke lange rechte weg en de voortdurende wind- naar Breedeweg wacht. Eerst nog door Gennep waar ik op de heenweg zo jammerlijk verkeerd reed. Ik verwacht nog een halfuur maar het duurt maar en het duurt maar. Eindelijk een bordje: Gennep 8km. Damn ik heb me verrekend. Dit is een slecht moment voor de moraal en daarbij begint het nu serieus te regenen en hoor ik een paar donderslagen. Bij een bushokje schuil ik even en eet een banaan een snickers en een mueslireep. Deze "honger" stil ik vandaag niet meer, ik verlang naar bad, bier en friet. Ik praat mezelf moed in: nog even en je kunt weer klimmen -hmm op de Ventoux klonk dit toch anders- en stap weer op.
Heijen, Gennep en eindelijk Milsbeek. Ik SMS basecamp dat het schema naar de kloten is en stuif af op die puist. In no time en met hernieuwde spirit raas ik naar boven. Wat nou steil, dit stelt echt niets voor zelfs niet met bagage. Ik herinner me de eerste keer vorig jaar dat ik hier puffend, hijgend en trekkend aan het stuur omhoog kroop. En dat zonder enig extra gewicht niet van fiets en niet van lichaam (ik had toen het goddelijk gewicht van 71kg). Er rijdt een jonge vent zo'n 200 meter voor me en tot in Breedeweg is dat een prima richtpunt. 5 minuten over schema ben ik in Groesbeek en meld het thuisfront dat zit te wachten dat ik over 40 minuten arriveer. Aan het begin van de 7-heuvelenweg zet ik mijn helm op, leeg mijn bidons en geef gas voor de laatste klim van deze toer de frans. Fluitend zoef ik over de zeven heuveltjes. Net na Berg en Dal zie ik een bekende jas en daarna ook gezicht, Mireille fietst mij tegemoet met een Zonnebloem. In de laatste druppels van de dag fietsen we samen naar basecamp 2, 19:45u just in time! Voor vandaag zit het er weer op en een paar biertjes en een stevige en heerlijke pasta maaltijd verder voel ik me ook weer helemaal ok. Alweer thuisgekomen. Morgen nog 1 etappe.
![]() | ![]() |
dinsdag 1 augustus 2006
Basecamp 3
Dag 33 | Etappe 31 | Brunssum | 205,0km | 2893,0km
![]() | ![]() |
Het ritme zit er goed in, net na zevenen ben ik mijn spullen al aan het pakken. Zojuist tijdens het douchen in de bedompte cabine, waren er duidelijk druppels op het dak te horen. Mijn tent staat onder de bomen en is goeddeels droog. Aan de lucht te zien blijf ik dat niet vandaag. Daarbij staat er een hard wind die de bomen op de helling aan de overzijde heen en weer wiegt. Ik zie een beetje op tegen de etappe van vandaag. Regen, wind, de steile klimmetjes van de Ardennen en een overnachting op een belgische camping. Hier blijven zou alleen een optie zijn bij mooi zomerweer. In de tent liggen met regen is helemaal niet mijn ding, dan maar liever fietsen, nat is het toch al. Om half negen rijd ik het bruggetje naar de weg over. Het regent nog niet en de invloed van de wind is hier in het diep uitgesleten dal alleen merkbaar aan de koude lucht. Zweethemd, fietsshirt, fleece én regenjack zijn mijn bescherming daar tegen. De eerste echte klim laat niet lang op zich wachten en eenmaal boven ben ik de beschutting van de groene hellingen kwijt. De wind lijkt van alle kanten te komen, behalve van achter mij. De regen striemt mijn gezicht tijdens de korte afdalingen. In de opvolgende klimmetjes rijd ik mijzelf volledig in het zweet. Nat van buiten, nat van binnen.

In Wiltz sla ik groot in bij de plaatselijke banketbakker. Veel zoete broodje, met dit weer neemt het suikerverbruik enorme proporties aan. Goed eten is de enige manier om vandaag in het zadel te blijven. Als ik buitenstap rijdt - hoe toevallig - Rik voorbij. Hij houdt even in om mij bij te laten komen. Zijn nacht was niet zo geweldig in het jeugdhotel van Wiltz en daarom is hij maar weer vroeg op pad. Vandaag fietst hij naar huis. Ik laat het even op mij inwerken: tweehonderd kilometer op een dag, op een mountainbike. Vol ongeloof praat ik met hem erover, of dat haalbaar is, hoe hard hij dan wel niet fietst, of hij wel genoeg kan eten en drinken. Hij zal er daarvoor vaak af moeten en dat kost tijd. Mij vraagt hij hoevaak ik dan stop, en waar ik lunch. "Lunchen?", vraagroep ik. "Ik stop nooit, hooguit om even te pissen, verder rijd ik zoveel mogelijk door. Op de fiets kan ik altijd zittend eten!" "Maar, hoe doe jij dat dan? Je hebt amper iets bij je." Rik grijnst en zegt: "Typisch 'n ollander, z'n eigen brood meenemen. Ik ga op restaurant natuurlijk. Neem daar 'n uur en een half voor. Zeker één pintje erbij, awel vaak twee toch..." Belg dat ie is! Ik zou geen meter meer trappen met 2 biertjes in mijn benen. Hij doet dan nog ruim honderd... We rijden tot voorbij de belgische grens samen op. Hij vind het wel gezellig even te kletsen en ik kan hem er niet afrijden. Op een bruggetje op het fietspad net buiten Wiltz help ik hem even met zijn kaartenstandaard. Die klapt bij elke hobbel voorover. Mijn toolset biedt uitkomst, de goed uitgeruste "ollander" komt van pas. Tegelijk wisselen we adressen uit met in onze achterhoofden de gedachte dat de kans klein is dat we elkaar nog eens treffen.
Van de heenweg weet ik dat de weg die over de grens voert steil is. Toen ging het met grote snelheid naar beneden. Ik schat een percentage van veertien procent. Rik is er ook van op de hoogte en schat zijn en mijn kansen in. Hij verwacht dat we beiden moeten gaan lopen. Ik reageer maar niet, ik wacht het wel af al heb ik weinig goede hoop op fietsend boven komen. In Oberwampach linksaf staat de helling als een muur recht voor ons. Glinsterend van de vele regen die het afgelopen uur al viel en hier tussen de loskomende modderplekken die achterbleven van de banden van landbouwvoertuigen die het lokale verkeer vormen. Mijn blik vernauwt zich tot het asfalt een paar meter voor mij, ik weiger helemaal de hoogte in te turen. Hoeveel ontmoediging heb ik nodig om meteen af te stappen? Rik roept een keer "Wow, da's echt steil". Ik probeer nu alle indrukken van buiten te negeren. Ik schakel tot op het laagste verzet, kom uit het zadel en geef op de eerste paar meters wat extra gas om mijn lichaam snel tot bergwerk aan te zetten. Dan wat meters zitten en het tempo modereren tot een haalbare ademfrequentie is ontstaan. Gelukkig ben ik al goed warm gereden, rijd ik hier in het gezelschap van een vriendelijke en bemoedigende kerel en maak ik mij niet druk over de meters verderop, maar alleen over deze enkele voor mij. Na 100 meter ga ik weer staan en in een gestage cadans duw ik door. Rik roept nog meerdere keren iets, hij fladdert wat achter mij, geeft mij de ruimte en haalt me -hoe sociaal- niet in. Hij schreeuwt zichzelf omhoog, is onder de indruk van de helling en verbaast zich over mijn doorrijden. Ik pomp door en houd daarbij in de gaten dat ik niet in het rood rijd. Het lukt net, rechtuit rijden, in balans blijven en iets overhouden. Ruim vier weken training om hier in totale beheersing boven te komen, wetende dat de dag nog lang en vermoeiend is.

We stoppen boven niet om te rusten, hij heeft haast om thuis te komen. Dat zal niet voor tien uur vanavond zijn. Tot Bourcy kletsen we nog wat over de mogelijkheid tweehonderd kilometer op een dag te rijden. Z'n plan spreekt me aan en in mijn hoofd is een zaadje geplant. Hij vertelt over zijn verleden als sport belofte. De triathlons die hij deed en het hoge niveau waarop hij presteerde. Als jonge hond ging hij vaak te ver, zonder rem reed hij zichzelf leeg en op. De reden waarom hij destijds is gestopt en daarna lange tijd niet aan sportbeoefening deed. Het is een aangrijpend verhaal vol teleurstelling, mislukking en wanhoop. Maar toch fietst hij hier alsof het niets is, gaat het goed met hem en is hij op weg naar zijn zoontje om daar de komende dagen mee op te trekken. Zijn beroep is houthakker. Wanneer hij mij dat vertelt lach ik hard. Rik is een klein iel mannetje, ik zie hem niet met een zware bijl een grote woudreus vellen. Vanwege de fysieke zwaarte is hij dan ook op zoek naar ander werk. Bourcy komt snel dichterbij en dan komt er ook een eind aan ons samenzijn. We wensen elkaar alle goeds en met een stevige versnelling vergroot hij vlot de afstand tussen ons. Ik sta er weer alleen voor. En hier in dit mij zo bekende terrein zie ik dat wel zitten. Het plan in mijn hoofd is gevormd, ik ga proberen vandaag tot Brunssum te fietsen zodat ik komende nacht bij mijn moeder kan slapen. Dat scheelt in camping zoeken, tent op zetten en alles wat daarbij komt. Dat is makkelijk een uur of twee winst. En daar komt nog eens bij dat ik dan ook gerust langer door kan fietsen dan tot acht uur. Al fietsend sla ik aan het rekenen op een haalbaar schema. Tussen tien en elf aankomen bij 13 kilometer per uur gemiddeld is haalbaar en zelfs realistisch.
Op de lange afdaling langs de Lienne probeer ik alvast wat voorsprong op het schema te maken. Ik trap zo hard ik kan bij en rijd continu boven de dertig per uur. Later volgen de zware klimmen van de noordelijke Ardennen, met de Rosier als absoluut hoogtepunt. Ik zal mijn voorsprong nodig hebben. De wind blijft stevig aan mij trekken en regelmatig slinger ik over het wegdek bij een stevige vlaag van links of rechts. Het regent niet onophoudelijk, maar echt droog is ook het niet. De pauzes die ik neem om te eten en drinken - mijn handen zijn zo verkleumd dat het al fietsend amper lukt iets binnen te krijgen - blijven beperkt tot een paar minuten. Vanaf het moment dat ik stilsta rilt mijn lichaam van de afkoeling. Barre omstandigheden. Het voelt heroisch om zo rond te fietsen. Er zijn maar weinig mensen op straat, en ook is er minimaal snelverkeer. De rust van het verkeer staat in schril contrast met de woestheid van het weer. Bij een houten bushokje schuil ik wat langer. Uit de wind kom ik even op adem en eet en drink zoveel ik nu op kan. Al zeventig kilometer gereden, ik zou hier het liefst een paar uur gaan liggen om bij te komen. Op geen enkele manier kan ik me voorstellen dat ik vanavond in Brunssum zal aankomen. Nog twee keer de afstand die ik tot hier heb gefietst...
Rond half vier sta ik aan de voet van de klim naar Rahier. Het bruggetje over en dan rechts de steile en smalle weg omhoog. Dit is de eerste echt serieuze klim van het belgische stuk. Al de hele ochtend zie ik hier tegen op. Het gaat veel vlotter dan ik vermoedde en tot mijn geluk is er geen tegenliggend verkeer. In alle rust fiets ik omhoog en heb boven een prachtig uitzicht over de langgerekte vallei. Dan volgt een vliegende afdaling naar het stroomdal van de Amblève waar ik voorbij het bruggetje even stop voor wat proviand. De klim naar de Rosier volgt, de hoogste top. En vanaf hier, het diepste punt, is dat 11 kilometer klimmen. Ruim anderhalf uur. Het begint weer te regenen als ik aan het eerste stuk naar La Gleize bezig ben. Twijfelend over de duur van dit buitje rijd ik nog even verder om dan vloekend te stoppen en mijn regenjas weer aan te trekken. Voor de te ontwikkelen hitte bij beklimming had ik die alvast uitgedaan. Honderd kilometer heb ik er nu opzitten, al zeven uur onderweg en in het zadel. De vermoeidheid en lichamelijk frustratie van het niet kunnen rusten slaan toe. Ieder klein tegenslagje verandert in een haast overkomelijke ergernis. Het oversteken van de drukkere weg in La Gleize levert een woedeuitbarsting op. Ik vloek en tier op het verkeer, de slechte bebording, het natte wegdek en die verdomde tank op het pleintje naast de weg. Wat een onzin en gedoe hier allemaal! Ik wil in alle rust kunnen fietsen, flikker allemaal toch op!

Of de kracttermen helpen weet ik niet, aan de overkant van de weg vervolgt de klim via Borgoumont en Cour naar de top van de Vecquee. Het uitzichtspunt bij Cour, waar ook een bankje staat, toont me dat ik weer helemaal Zen ben. Ik geniet ondanks de koude wind een paar minuten van het uitzicht. Mijn weg vervolgend merk ik hoe makkelijk ik deze klim verteer. Mijn gedachten kunnen overal zijn, mijn lichaam trapt de meters asfalt onder mij weg. En elke trap brengt me haast vanzelf dichter bij de top. Weer maak ik me geen zorgen of ik het ga halen, zolang ik fiets en in beweging ben is het goed. Het leven is gereduceerd tot een monotone beweging en het voelt heerlijk. Eindelijk boven geniet ik even van het moment en neem uitgebreid de tijd om mijn blaas en darmen te legen. Dat lucht erg op, mogelijk had ik in het dal ook wat last van deze ballast. Met een lekker vaartje knal ik op Spa af. Het regent aan deze kant van de helling niet meer, het klaart zelfs wat op in de verte, daar waar mijn doel ligt. Alles in het teken van het tijdig halen van de eindstreep, laat ik Spa links liggen ook al weet ik daar zeker proviand te kunnen scoren. Mijn voorraden zijn aanzienlijk geslonken en met nog tachtig kilometer voor de boeg heb ik water, cola en zoetigheid nodig. De motor draait nog wel soepel, toch kan ik geen risico nemen. Tachtig kilometer is normaal een te doen ritje. Na hondertwintig kilometer door het terrein van de Ardennen, en met nog wat heuvels voor de boeg wordt het een ander verhaal. Ik kan pas juichen als ik vanavond in Brunssum in bed lig.
Na zessen, Sart. Hier is vast een supermarkt zo druk is het verkeer in het kleine dorpje. Even vragen, en ja hoor maar 20 meter van de route, verstopt op een klein pleintje aan de rand van het dorp, niet ver van de hoofdweg. Het is een piepklein supermarktje. We kennen het in Nederland niet meer. Een gezinnetje dat het runt, moeder, vader en zoon. Met drie klanten is het er al bomvol. Ik sla in zoveel ik kan meenemen. Op de stoep tegenover mijn fiets staat een groepje hangjongeren mij uitgebreid aan te staren, alsof ik van Mars kom. Met een blik in hun richting weet ik dat dat voor hen zeker geldt, of dat ze hard op weg zijn ernaar toe te zweven. Over de provinciale weg Sart verlatend, kruis ik de snelweg van Verviers om daarna weer op een rustig weggetje te belanden. Het wolkendek begint open te breken en een lichtere lucht begeleidt mij de avond in. De aankondiging van een dertien procents helling maakt mij niet aan het schrikken. Halverwege merk ik voor het eerst vandaag aan wat voor een uitputtingsslag ik ben begonnen. Lichte kramp in mijn kuiten dwingt met terug in het zadel. Zeer rustig kom ik deze kuitenbijter over. Voorbij Limbourg volgt de laatste serieuze klim van de dag, die neem ik in alle rust en eenmaal boven een langere pauze. Het is bijna acht uur, ik heb er ongeveer hondervijftig kilometer opzitten. Nog ruim drie uur fietsen tot Brunssum. Ik bedenk dat ik het kan halen, dat de enige andere keus een hotel in Limbourg is. In Aubel op de heenweg vond ik er geen. Ik voel me fit en helder genoeg om door te fietsen. Na wat te hebben gegeten en gedronken, een poging doend te schuilen voor de harde wind die hier op de top overal doorheen blaast, bekijk ik de mogelijke opties om te komen tot Brunssum. Mijn kaartmateriaal is beperkt. De provinciale weg naar Aken lijkt mij de voordeligste optie. Ik vermoed weinig accidentatie en kan die weg tot voor Kelmis volgen om dan via Chapelle naar Vaals te rijden. De rest is een thuiswedstrijd. Met dit goedgekeurde schema in mijn hoofd is nu het moment om mijn moeder te bellen dat ik eraan kom. Ze weet helemaal niet dat ik in de buurt ben, net als op de heenweg een verrassing.

Vol goede moed en blije zin vervolg ik in hoog tempo de grote weg. Het gaat erg voorspoedig en veel sneller dan ik berekende. Toch is het al donker wanneer ik bij Vaals de grens passeer. Ik wacht met het aanzetten van mijn licht tot ik ook de klim naar Simpelveld achter de rug heb. Daarna zonder de klimmetjes van de heenweg proberen om in Heerlen te komen. Dat gaat in het donker en na bijna 200km in de benen dus mis. Ik passeer de Heerlerbaan zonder er erg in te hebben en sta na 10 minuten scheldend voor het station van Kerkrade. Via de weg langs de grens - ik rijd natuurlijk niet dezelfde weg terug - kom ik weer op hetzelfde punt uit en na het bekijken van 2 informatie borden met daarop een kaart waarin alleen Kerkrade staat ingetekend - de grote wegen van Heerlen wel maar geen info over bebouwing enzo - kies ik de goede weg en ben in 5 minuten bij het Grotius vanwaar ik de weg met mijn ogen dicht vervolg. Kwart over elf Brunssum bereikt en ik word nog opgewacht door mijn moeder. Ik heb geen zin meer om te eten. Een zakje chips en twee fantaatjes om de ergste dorst en "honger" te stillen volstaan. Om 2 uur slaap ik: eindelijk weer een echt bed. En een stoel om op te zittten daarnaast. Wat een enorme luxe is dit.
![]() | ![]() |
maandag 31 juli 2006
Luxemburg Visited
Dag 32 | Etappe 30 | Bourscheid-Moulin | 112,6km | 2688,0km
![]() | ![]() |
Met een hongerig gevoel in mijn maag ben ik al vroeg wakker. Niet eens zo heel erg moe na de lange etappe van gisteren heb ik al snel de spirit om weer te pakken voor een volgende etappe. Nog voor achten ben ik weg van deze al te toeristische camping. Nu in de stilte van de ochtend heb ik een nuschter blik. Het is hier inderdaad vol, hutje mutje staat het. Een belgisch aandoend rommeltje van sta-caravans die hun beste tijd hebben gehad, tenten kris kras en overal troep in de vorm van versleten parasols, bakken met onduidelijke bestemming, kinderfietsjes, speelgoed, slecht onderhouden groen en sporen van openbare toiletplaatsen. Een overvol toevluchtsoord voor mensen die gewend zijn in volbepakte steden dicht op elkaar te leven. Plaats ze in een minder tot claustrofobie neigende omgeving en ze weten zich geen raad. Voor mij geldt het omgekeerde. Het is een groot genoegen om nog voor de officiele openingstijd - gisteren werd mij op een zeer gebiedende wijze gemaand dat er voor achten geen vertrek mocht plaatshebben - dit treurig oord te verlaten.
In Volstroff stop ik voor een zoveelste bordjes foto en ben dan op weg naar mijn ontbijt. Het duurt nog tot Distroff eer ik een bakker vind. Niet zomaar één, maar misschien wel de beste die ik op mijn hele reis trof. De sortering is fenomenaal en het ziet er allemaal even lekker uit. En de bediening is uitermate vriendelijk. Tot aan mijn fiets loopt de bakker mee om te helpen mijn spullen in te pakken. Met zeer goede zin rijd ik verder door het laatste stukje Frankrijk van de tocht. De plekken waaraan ik de fijne herinnering van weken geleden weer uit mijn geheugen opduik. Het fietspad langs de Moezel, Cattenom met de kernreactoren, het architectonisch bijzondere benzinestation dat ik op grote afstand passeer, en dat ik herken van fotoboeken. En dan het bloemendorpje met de paarse besteleend. Daarna nog even zoeken naar de juiste weg om de grens over te komen, ook op de heenweg was de route hier wat lastig te volgen. Dan ben ik Frankrijk weer uit, een deel van het vakantiegevoel is weg. Nog niet thuis in Nederland, maar ook niet helemaal meer in den vreemde.

De eerste kilometers in Luxemburg gaan langs industrie. Ik verheug me nu al op het mooie fietspad langs de Alzette rond Luxemburg. Van de zon moet ik het vandaag niet hebben om goed zin te houden. De lucht is grijs, een lichte dreiging van regen. Ietwat vochtig en drukkend weer, niet al te warm. Ik fiets alsof ik nooit anders gedaan heb. Nadenken over hoe het gaat, hoever het nog is, wat er allemaal mis kan gaan: ik heb het losgelaten. Het valt me op hoe makkelijk en snel de terugreis verloopt. Alsof er een tijdsverdichting heeft opgetreden, of de franse kilometers korter zijn geworden. Normaal gesproken zijn ze langer dan elders, en lijkt het ergens naartoe reizen nooit tot het doel te leiden. Nu fiets ik in een flow die past bij de dag, mijn toestand, de omgeving, het weer. Mijn plek op de wereld is hier op deze fiets, traag trappend door het oneindig glooiende landschap.
In Luxemburg wijk ik even van de route af. Het centrum van deze stad bezocht ik niet eerder, ik fietste er alleen langs het station. Ik ga op zoek naar een zaak waar ze swatch horloges verkopen, en ik wil even snuiven aan de sfeer. Na wat heen en weer rijden stop ik bij een uitzichtspunt over de rivierkloof. Busladingen japanners lopen hier becameraad rond en mij in de weg. Mijn Zen-zijn voorkomt dat ik me druk maak. Zittend op een bankje eet ik wat en geniet van mijn innerlijke rust tussen al de drukte. In het centrum rijd ik wat rond en vraag hier en daar. Er is een juwelier die swatches verkoopt. Ik kijk er wat rond maar besluit niets te kopen. Het moment van afleiding was voldoende. Ik ben in Luxemburg geweest en heb gedaan wat bij zo'n stad hoort: shoppen!
Hobbelend over de kasseien die me de stad weer uitvoeren houd ik het tempo laag. In het park laat ik de teugels vieren en met snelle bochten cross ik ruig over het dalende en stijgende fietsparkoers. Rechts van mij herken ik de uitgang van het park, daar waar ik op de heenweg maar met moeite de ingang vond. Snel gooi ik mijn stuur om en zet nog even aan om het hellinkje ernaartoe te nemen. "Tching", klinkt het achter mij. Zonder aarzeling stap ik op het trottoir af om mijn achterwiel te inspecteren op gebroken spaak. Van Taulignan tot hier heb ik het al gered, dat is het goede nieuws. Het betere nieuws is dat ik een ervaren spaakverwisselaar ben en nog reservespaken van juiste lengte heb. Het beste nieuws is dat de spaakbreuk aan de makkelijke kant zit. Alleen maar goed nieuws!

Het kost me een kwartier om de spaak te vervangen. Dan piel ik nog tien minuten om de slag die ontstaan is er zo goed mogelijk uit te draaien. Mijn achterrem zet ik voor de zekerheid wat losser. Na honderd meter fietsen constateer ik dat het niet helemaal goed is gegaan. De zijslag is minimaal, maar het wiel heeft ook een vervelende hoogteslag opgelopen. Na wat heen en weer lopen met de fietsen kan ik het punt markeren. Met de spaaksleutel draai ik de tegenovergestelde zijde wat aan en los ik de plek van de slag. Al bijna een uur ben ik nu bezig met deze ene gebroken spaak. Mijn beslissing is kort en ferm, ik ga doorrijden tot huis met een hoogteslag. Het enige wat er kan gebeuren is dat de slag wat afneemt. De eerste kilometers is het gehobbel uitermate vervelend. Al trappend weet mijn lichaam te adapteren, zoals je ook kunt wennen aan het wonen langs een spoorlijn en je op den duur de nachtelijke goederentrein pas opmerkt als die een dagje overslaat.
Slingerend langs de Alzette vervolg ik mijn weg door het rustiger deel van dit kleine landje. In Ettelbrück pin ik bij een van de vele banken, en wanneer de zon begint te schijnen ziet het dorp er opeens een stuk aangenamer uit dan dat ik het eerder beoordeelde. Net buiten dit stadje met twee gezichten doe ik ruim inkopen bij de beste supermarkt die ik op deze reis aandoe. Dan vervolgt mijn route langs de oevers van de Sûre, naar de groen beboste hellingen van Noord-Luxemburg. Even na Erpeldange haalt een man me in. Hij rijdt op een mountainbike en heeft een kleine rugzak om. Zeer licht bepakt. Rik uit Herk-de-stad in België is bezig met een laatste stukje van de Groene Weg. Hij reed in april al naar het zuiden via St. Hubertus en was nog nieuwsgierig naar de route via Spa. Voor het rondje naar Luxemburg had hij een week uitgetrokken, morgen is zijn laatste dag. Hij weet nog niet hoe hij de ruim 200 kilometer naar huis gaat overbruggen, vannacht zal hij in elk geval slapen in Wiltz. Ik heb de camping in Bourscheid op het oog, die ik op de heenweg vanaf de weg op de hogere oever zag liggen. Een zeer ruime camping met veel gras, aan de oever van de rivier. Het zag er aanlokkelijk uit. Bij het bruggetje naar de Camping "Am Gritt" neem ik afscheid van Rik. We wensen elkaar een goede nacht en vervolg van onze tochten.

Het trekkersveldje bevindt zich op een eilandje dat alleen via een smal betonnen bruggetje zonder leuningen is te bereiken. Een loopplankje van een halve meter breed. Om niet heel stoer te water te gaan, stap ik maar even af om mijn fiets naar de overkant te krijgen. Het is rustig op dit eilandje dat door een hoge bomenrij is afgescherm van de drukkere rest van de camping. Voor het sanitair moet ik nu wel een eindje lopen. Dat is het waard om hier te staan, met een uitzicht alsof je midden in de natuur staat. Alleen de geluiden van de caravan, camper en familietent bewoners op de achtergrond verstoren dat beeld. Naast mij twee spichtige kakineuze meisjes in dito outfit. Wanneer ik mijn fiets op een vijftal meters naast hen parkeer kijken ze strak de andere kant op. Ik roep maar eens enthousiast hallo, hun nummerbord verraadt hun afkomst. Er volgt een slap goededag - volmaakt met goois accent - terug. Mijn humeur is onaantastbaar. Vandaag ben ik alweer ruim honder kilometer dichter tot huis genaderd, zonder noemenswaardige inspanning of tegenslag. Alles wat 'misgaat' geeft juist kleur aan de reis. En zo ook de gebroken spaak van vandaag, het is een welkome afwisseling in het dagelijks ritme van fietsen, eten, slapen. Het begon me al op te vallen dat ik de laatste dagen steeds minder en minder tekst voor mijn log had.
Als ik drie van de vier B's heb afgewerkt arriveert rond tienen een gezin op het veldje. Een grote tent, twee kleintjes. Vader, moeder, dochter, zoon. Een standaard gezinnetje? Verre van dat. Een oude volkswagenbus staat aan de andere oever bij het loopplankje. Vader en moeder zien er uit als oude hippies en ook de kinderen lopen rond in kleren die je niet vaak tegenkomt. Ze stralen kalmte en overtuiging uit. We groeten elkaar vriendelijk. Ze blijven wat op afstand, en ook ik voel met niet geroepen een praatje aan te knopen. Uit hun verhalen maak ik op dat ze een lange en vermoeiende rit achter de rug hebben, eten en slapen is ook hun prioriteit. De jongen komt nog wel even bij me langs om te vragen waar ik heen ga en hoe het is om zo'n stuk te fietsen. Hij is fris, open en direct. We praten kort, waarna hij gedecideerd terugkeert naar z'n familie. Met mijn afwas in de hand sta ik even later bij hun kampplek om wat nader kennis te maken. Ze zijn net aan het eten, ook ik houd het kort. Voor elven lig ik in bed, af en toe vallen er wat druppels op het tentdoek. Achter mij ruist de stroomversnelling van de Sûre langs het eilandje, een heerlijk geluid om bij in te slapen.
![]() | ![]() |
zondag 30 juli 2006
Kolchozen
Dag 31 | Etappe 29 | Volstroff | 162,6km | 2575,4km
![]() | ![]() |
Wanneer ik net na zes uur mijn hoofd buiten de tent steek, is het doodstil op het kampterrein. De bivakzak van mijn buurman Roel is nog dicht. We hebben gisteren lang gesproken over de voor- en nadelen van onze tenten, en waar we op uitkwamen is dat hij graag mijn tent zou hebben. Met zijn bijna 2 meter past hij niet languit in de bivakzak. Het erin kruipen was gisteravond een hilarische happening. Net achter hem staat de ruime tent van de Limburgse motorrijder. Een man van mid vijftig, met snor, goed gebruind en een zeer vriendelijke uitstraling. Beetje type Schimanski, maar dan zonder de temperamentvolle woede-uitbarstingen. Zeg maar Zen. Hij leest een heel dik boek. Wanneer ik ernaar vraag, laat hij alleen even de kaft zien en zegt verder niets. Ik lees hardop de titel; "Padwerk" en kijk hem daarbij aan met opgetrokken wenkbrauwen. Hij monstert mij met een brede glimlach, niet van plan ook maar iets te zeggen over het boek. Op mijn wat algemenere vragen over afkomst, plannen, hoe hard zijn motor kan, hoezo hij zo'n asociaal grote tent heeft voor een trekker op de motor - hij zit ook nog eens op een erg gemakkelijke stoel - en wat ie gegeten heeft, komen kortaffe doch vriendelijke antwoorden. Hmm, dat padwerk gaat zeker niet over communiceren vermoed ik.

Het eerste wat ik aanpak is de achterband van mijn fiets. In minder dan een kwartier ligt de nieuwe erop. Terwijl ik bezig ben mijn handen vuil te maken, schuift de een na de andere trekker aan bij de motormuis die net na mij opstond en inmiddels koffie aan het zetten is. Met z'n vieren - het stel dat gisteren laat nog op de motor arriveerde, de padwerkmotorman en Roel van de bivakzak - slaan ze mijn gesleutel gade. Na mijn herstelwerkzaamheden ga ik even bij ze aan de picknicktafel zitten. Het is erg gezellig hier op de vroege ochtend. Het ouderwetse gevoel van het zondagochtendontbijt, al is het voor zevenen en voelt het ook erg vroeg. Na het douchen pak ik snel in, sla de aangeboden koffie en het gebakken eitje af - moet er niet aan denken dat dat straks met het fietsen omhoog wil komen - en ben op weg: half negen, lekker vroeg nog. Bij de plaatselijke (banket)bakker sla ik de gebruikelijke brandstof in en fiets door de frisse ochtendlucht richting het platte land van Noord Frankrijk. De laatste dagen waren bosrijk, vanaf Charmes tot de grens met Luxemburg zal ik voornamelijk door akkergebied koersen. En de hoofdmoot is hier: graan, graan en nog eens graan. Ik mijmer wat weg naar de beelden die ik nog heb van de heenweg. Een herinnering aan een plezierige tocht, glooiend landschap, lekker weer na een nachtje regen in Lunéville. Mijn gedachten gaan over naar de slaapplaats voor vanavond. Dit is het lege gebied met weinig campings. Op de heenweg haalde ik Château-Chalins niet en bleef ik een nachtje in een Bed & Breakfast. Daar deed ik de belofte op de terugweg er ook te slapen. Ik blader en reken wat en kom uit op ongeveer honderd kilometer tot Brulange. Da's wel te doen, zeker nu ik zo vroeg op pad ben. In Château-Chalins - op zo'n 80 kilometer - wil ik na de verhalen over zigeuners die de camping daar hebben bezet, niet bijzonder graag kamperen. Ruben die ik op mijn heenweg in Darney sprak, vertelde dat hij er niet erg op z'n gemak had geslapen.
Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen wanneer ik verderop een jongen en meisje uit de bocht zie komen, op de fiets, in mijn richting. Even later volgt een vrouw. Ze hebben allemaal bepakking. De kinderen zijn hooguit tien jaar. Ze kijken allebei zeer opgewekt, zelfs zo vroeg op zondagochtend. We groeten elkaar vriendelijk, de vrouw heeft een glimlach die op haar gezicht lijkt gebeiteld. En weer schieten er duizenden vragen door mijn hoofd, net als toen ik uit Sts. Maries vertrok. Een korte ontmoeting, een ervaring, contact in één blik. De komende kilometers heb ik weer iets anders dan het fietsen, de zon, de wind, de hellingen, de pijntjes om mijn hoofd mee bezig te houden. Een luxe vorm van entertainment, ik ben theater en publiek tegelijk. Zolang ik op de fiets zit is er geen aanleiding tot verveling.
In Lunéville stop ik even bij de bakker om bij te tanken, het is zondag, de komende kilometers volgen er alleen nog maar kleine dorpjes. Ik maak me vooral zorgen over de mogelijkheden om aan drinken te komen. Op kraanwater ligt een boycot, ik zal vandaag nog flessenwater moeten vinden. Ik gok op een benzinestation, dat van Lunéville ben ik blijkbaar al gepasseerd. Mogelijk dat ik in Château-Salins kan scoren.

Dorpjes met namen als Einville, Deuxville en Bienville zie ik op de kaart langs mijn route voorbijtrekken. En natuurlijk de vele dorpen met -court (koerd) in de naam. Ville en court, dan iets ervoor, ze houden het hier makkelijk. Ik rijd in het gebied tussen Nancy en Metz. Dit zijn de Kolchozen van Noord-Frankrijk, waar in het begin van de 20ste eeuw fransen met subsidies naar toe gelokt zijn om een landbouwbedrijf te beginnen. Ook toen al was het gebied leeg, niet zo verwonderlijk na twee oorlogen met de buurman. De meeste mensen waren dood - zie Verdun - of weggetrokken naar zonniger oorden. En nu nog is het een verlaten gebied, met veel dorpen die uitgestorven zijn. Het afbladdergehalte van de huizen is hoog, van de heenweg herinner ik mij Aoury: gelijk een spookstad in het Wilde Westen. Desondanks is dit een schitterend landschap, glooiend, zacht, uitnodigend. Vandaag is het niet warm, niet koud. Wat bewolking, misschien wat licht vochtig drukkend, maar niet storend. Een prima zondagje om buiten te zijn, wandelend of fietsend natuurlijk. Het voelt goed vandaag, ik heb er zin an. Dit kon wel eens een flinke etappe worden. Ik geniet van het glooiende, steeds weer op en neer in een gestage cadans. Mijn herinnering aan deze streek van de heenweg is zeer helder, het was in de eerste week waarin ik vrijwel alles wat ik tegenkwam opzoog. Eigenlijk voel ik me hier bijzonder thuis, ik wil ook wel zo'n subsidie!
Tegen lunchtijd rijd ik Château-Salins binnen. Op zoek naar drinkbaar water rijd ik het dorp een keertje rond, dat kost nog geen vijf minuten. Meteen spot ik ook de richting van de camping, daar wil ik dus niet naar toe. Tegenover de kerk is de plaatselijke horeca gelegen, een bar met daarbij een restaurant. Hét restaurant van Château-Salins, het is er bomvol. Serveerster lopen kwiek laverend met volle dienbladen tussen de tafeltjes door. Aan de bar vraag ik of ze flessen water verkopen. Die hebben ze wel, gekoeld zelfs. Omdat ik niet weet of er in dit van God verlaten deel van Frankrijk nog gelegenheid komt tot inkopen vraag ik of ze ook cola heeft. Ik ga voor een maximale bevoorrading, het is ook nog eens zondag, en dat betekent drie volle bidons, 2 flessen water voor en 1 achter en nog een fles cola. Bij elkaar negen liter. Negen kilo extra gewicht dus. Het meeste daarvan zal vandaag nog verdampen als zweet van mijn huid. "Bien chargez" neem ik afscheid, het personeel een beetje meer verward achterlatend dan het al was. In hun ogen is het sowieso al vreemd dat ik niet ga zitten lunchen op het daarvoor bestemde tijdstip. Dat ik dan ga fietsen, zo volbepakt, is hier reden tot veel hoofschuddens en ietwat verbaasde glimlachen.
Na deze proviandering fiets ik met een geruster gevoel verder. Château-Salins afgevinkt, daar hoef ik niet te overnachten, en voldoende vocht om vandaag en de nacht door te komen. Dan hoef ik nu alleen nog maar te fietsen, en mijn proviand te nuttigen. Wat is het leven toch weer heerlijk simpel. In Château-Bréhain stop ik even om te kijken of mijn banaantje er nog ligt. Daar beslis ik ook dat ik niet de iets kortere zelfgemaakt variant over Brulange neem, maar nu de officiële route volg. Dan kan ik het plaatsje Lucy ook aandoen. Het half uur er naartoe fantaseer ik over blonde meisjes in petticoats die de straten van het dorp bevolken wanneer ik er binnenrijd. De werkelijkheid is anders, het is er doodstil op een paar spelende kinderen na, helaas. Het is half drie, de teller staat nu op honderd kilometer. Ik voel me niet alleen heel fit, het blijkt ook uit het gemak waarmee ik vooruit kom.
Vlak voor Servigny staat in de bocht een stel met een tandem. Hij houdt de fiets vast en zij loopt er druk gebarend en pratend omheen. In mijn zenachtige rust van het zo goed op schema liggen, neem ik de tijd om een praatje te maken. Ze hebben pech gehad in Luxemburg, een gebroken velg. Met veel overredingskracht hebben ze de plaatselijke fietsendealer - makers bestaan er bijna niet meer - zo gek gekregen een achterwiel van een complete fiets af te staan. Hier in de bocht staan ze voor de zoveelste keer stil om de spaken aan te draaien. Ik vermoed dat ze door het incident nu last hebben van spaakfetisjisme. Het ziet er ook niet naar uit dat er enige visie is bij het aandraaien van de spaken, ze draait willekeurig wat aan de nippels zowel voor als achter. "If is ain't broken, don't fix it", is hen waarschijnlijk onbekend.

Opgemonterd van het gesprekje vervolg ik mijn weg, noordelijker in de richting van Luxemburg. Tot nu toe heb ik me niet druk gemaakt over waar ik zal slapen. Bettembourg is misschien iets teveel van het goede. Het is nu vier uur, ik heb er honderdtwintig opzitten, tot daar nog 80 kilometer. In het boekje staat dat er bij Metzervisse een camping is, nog zo'n veertig kilometer van hier. Dat moet te doen zijn, en anders zijn er nog een paar B&B's, maar wel van de route af. Als ik niet hoef om te rijden, dan liever niet. Voorbij Courcelles eet ik wat aan het meertje waar ik op de heenweg ook stopte. De zon schijnt weer en ik warm mijn door de wind koudgeblazen lichaam in haar stralen. Het licht filtert zacht door het bladerdek van de bomen die het meertje omzomen. Zou ik hier niet kunnen kamperen? In de verte donkere wolken, het ziet er niet naar uit dat ik het de rest van de dag droog houd. In de klim naar Vry heb ik de wind, die flink is toegenomen, pal op kop. Mijn Zen gevoel van daarstraks vloeit langzaam uit mijn lichaam, in het tempo waarmee ik vooruit kom. Het maakt plaats voor woede en frustratie, het lijkt alsof ik nooit bovenkom. De wind snijd mijn adem af en ik erger mij aan elke auto die me inhaalt bij mijn worsteling naar boven. Zo ik zie heb ik last van een Noordwesten wind. Voorbij Vry gaat de route pal noord, ik verheug me er nu al op straks de wind schuin van voren te hebben en hoop dat de weg ook weer wat glooiender of misschien wel dalend zal zijn.
Met de televisietoren van Luttange als richtpunt, begin ik aan de klim daar naartoe. Met ruim honderveertig kilometer op de teller grijp ik alles in min omgeving aan mij te motiveren, op te peppen. Nu moet het van diep komen. De ervaring van 4 weken fietsen is een grote steun. Dit soort momenten maakte ik al vele malen mee, telkens ben ik weer doorgegaan, waarom zou dat nu niet lukken? In Metzeresche neem ik ruim de tijd om uit te vissen waar de camping van Metzervisse is. Volstroff staat er achter in het boekje. Wegsgewijs heb ik twee opties: linksom of rechtsom. Mijn interne muntje zegt rechtsom de route volgen, ook omdat ik dan door Metzervisse kom dat er op de kaart uitziet als een wat grotere plaats, misschien valt er nog wat te eten. Het is na zessen, ik begin de vermoeidheid van deze lange dag te voelen. Ben wel klaar met fietsen. Al heeft mijn lichaam vandaag nog niet één keer dienst geweigerd, mentaal ben ik op. Ik merk dat het chagrijn toeslaat, ik heb honger, zin in douchen en liggen. Metzervisse blijkt net zo uitgestorven als alle andere plaatsen hier. Met de donderwolken erboven lijkt het helemaal onheilspellend. Het liefst was ik hier nu niet, maar aan een zonnig strand met palmbomen.
Ik scan de straten en huizen af naar levende wezens. In de verte een zwerfhond in de typische halfscheve loophouding, de neus in de wind op zoek naar iets snaaibaars. Een eenzame auto die voor mij op snelheid de bocht neemt, weg van hier. Links een groot huis met een schuur ernaast, een oude man op een bankje de handen leunend op een stok. Ik knik en rijd hem voorbij. Voor mij zie ik alweer het einde van het dorp. Er is hier helemaal niets! De schrik slaat mij om het hart, zou er wel een camping zijn? Wie wil er hier nou kamperen? Het is hier dood, leeg, kaal, stil. Voordat ik de helling naar beneden vervolg gooi ik het stuur om, naar links in de richting van de oude man met zijn stok. Op een meter voor hem houd ik halt. Hij kijkt me even aan en zegt in onverstaanbaar frans iets. Ik roep - vermoed dat ie doof is - "camping" en "Volstroff" naar hem. Hij wijst naar links, de heuvel af. Ik vraag of die camping er echt wel is. Hij knikt, en mompelt iets van "heel groot, heel druk" en kijkt misprijzend. Nog niet zeker over het bestaan van de camping vraag ik het nog maar een keer. Mijn hersenen werken niet meer zo goed, ik interpreteer zijn gezichtsuitdrukking wel en leid daaruit af: "geen camping". Zijn woorden komen maar niet binnen. Hij leunt voorover op zijn stok en komt overeind, neemt een paar passen naar de weg en wenkt mij. Ik schuifel met de fiets tussen mijn benen naar hem toe. Met een van boven naar beneden zwaaiend armgebaar in de richting "heuvel af", wijst hij mij de weg. Die kant op, dan links, heel grote camping, echt waar, vorige week was ie er nog. Nog niet overtuigd, stap ik toch op. Bedank de oude en zoef vertwijfeld de heuvel af richting Volstroff.
Om daar te komen moet ik ook weer omhoog, onvermijdelijk in dit landschap. Het bordje van het dorp maakt veel goed, deze had ik nog niet: "Volstroff". Het klinkt heerlijk naar Russische Wodka. In het dorp is één weg naar links, die neem ik ook al zie ik nergens een bordje 'camping'. Volgens mijn kaartje ben ik nu terug aan het fietsen naar Metzeresche, waar ik een uur geleden ook was. Een beetje met de moed der wanhoop ploeter ik voort, omhoog de helling op. Nergens ook maar een teken van iets als een camping. Rechts zie ik een watertje, hoge hekken eromheen en een heel grote parkeerplaats. Wat auto's rijden het terrein af. Het lijkt op een recreatiegebied. Zou het dan toch? Maar dan rechts weer bos. De net opgeflakkerde hoop is evenzo snel weer vertrokken. Bij Metzeresche staat in het routeboek een bedje en daarachter 3km, wat zoveel betekent als: Bed & Breakfast op 3 kilometer. Ik fiets in elk geval door tot daar. Dan zie ik rechts vlaggen, een hek openstaan, daarachter een lange brede oprijlaan en wat gebouwtjes. Een groot bord met de naam van het recreatiegebied. Nog geen teken van een camping. Ik fiets naar het gebouw dat eruitziet als receptie. Mooie glazen schuifdeuren, een prachtige entree, goed verzorgde receptie. Ik ben op de juiste plek, de camping ligt iets verderop op het terrein.
Terwijl ik mijn tent opzet begint het te regenen. Haastig klaar ik de klus en rust op mijn slaapzak even uit. Liggend maak ik alvast wat aantekeningen in mijn logboek. "Plop, Schhht", klinkt het tegen mijn tentdoek. Ik schrik. Ik hoor wat kinderen lachen en schreeuwen. Dan weer: "Plop, Schhtt". En het gestuiter van een bal over het gras. Kindervoetjes naast mijn tent, iemand die roept: "Attention, vite!". En nog een keer de bal tegen mijn tent, veel harder nu dan de twee eerdere keren. Ik voel hoe het bloed naar mijn hoofd stijgt, ik ben zwaar geirriteerd. Moe van de lange dag, nog niets gegeten en nu ook al niet de kans krijgend tot rust te komen. Wanneer de bal nog een keer mijn tent raakt, en hoorbaar erover heen stuitert besluit ik in een flits in te grijpen. Voor ik het zelf door heb duik ik voorover in een koprol mijn tent uit en kom op mijn voeten terecht. Meteen sta ik recht overeind. Naar alle kanten stuiven de kinderen weg die zojuist nog met een leuk spelletje bezig waren. Ik pak de pal onder de struik vandaan en houd hem hoog boven mijn hoofd. Op een afstandje van 15 meter staat een groepje dreumessen te wachten op wat volgt. Ik kijk ze bozig aan en roep: "Va voir ta mere!" tegelijkertijd de bal met volle kracht naar ze toe werpend.
Na deze actie grijp ik snel mijn douchetas. Ik ben weer in actie en heb begrepen dat ik iets moet doen aan mijn lamoryante situatie. De vier B's ten uitvoer brengen: Bier, Bad, Bunkeren, Bed. De eerste zal niet gaan, ik heb niet ingekocht vandaag. Bij de tweede B confronteer ik mijzelf met nog een eigenschap waar ik niet Zen van wordt. Er zijn maar twee douches en er staan wel vier mensen te wachten. Als ik ergens een grote hekel aan heb dan is het aan zinloos wachten. Ik maan mezelf toch tot kalmte, ik blijf hier nog even. Twee anderen staan er al wat langer en geven het wachten op. Wanneer eentje de wc induikt, gaan gelijktijdig de twee douchedeuren open, oh heerlijke voorzienigheid. God is zeker een fietser! Mijn avondeten is karig, wat brood een blikje vis, en een tomaat. Ik ben te moe om goed te eten en laat het hierbij. Al vroeg lig ik op mijn slaapzak te doezelen. Na te genieten van de vele kilometers landschap die vandaag aan mij voorbij trekken. In een roes van de kick dat het vandaag allemaal weer gelukt is, val ik met een tevreden glimlach in slaap, morgen weer een dag!
![]() | ![]() |
zaterdag 29 juli 2006
Donder & Bliksem
Dag 30 | Etappe 28 | Charmes | 115,3km | 2412,8km
![]() | ![]() |
Kwart over zes, buiten al gerommel van de allervroegsten. Ik heb goed geslapen, heerlijk uitgerust. Dan ook maar meteen eruit. Ik wil nog een foto maken van Ineke en Harm-Jan en vooral van hun tandem. Als ik dat gedaan heb en gedoucht ben, dan zijn er meer mensen op. Iedereen hier wil vroeg op pad. Ik zwaai de tandemrijders voor zevenen uit. Bij het schoonspoelen van de bidons komt een stel de hunne vullen. Tom rijdt op een ligfiets, Marian op een splinternieuwe Koga, ze heeft een opvallend fel gekleurde rode fietsbroek aan, die bij dit ochtenlicht pijn doet aan mijn ogen. We kletsen wat, ze blijken ook uit Amersfoort te komen. Ze vertrekken en een paar minuten later ben ook ik op pad. Het is nog voor achten als ik ze bij de bakker weer tegenkom. Even wat zoete broodjes inslaan en de etappe voor vandaag begint. Op het drukke kruispunt van Port s/Saône helpen we elkaar oversteken. Dan nemen we afscheid, zij vervolgen zuidwaarts, ik huiswaarts.
De route van vandaag brengt mijn herinnering terug aan de eerste dagen dat ik samen fietste met de vlaamse meisjes. Dat was ongeveer hier. Deze omgeving heb ik bijzonder in mijn geheugen geprent, aangename wegen om te fietsen, veel afwisseling in natuur en niet te lange of steile beklimmingen. Mijn plan is om tot voorbij Darney te fietsen, naar Charmes. Maar als dat niet lukt zou ik het niet erg vinden weer in Darney te staan. De camping beviel me goed. In alle vroegte hier zo rond fietsen is heerlijk. Amper mensen op de weg, de frisheid van de ochtenddauw en de langzaam warmer stralende zon. Was het maar de hele dag zo aangenaam. Vóór Amance rijd ik een groepje oudere jongeren achterop. Ze slapen in hotels en fietsen van Marnay (Besançon) naar Maastricht. We stoppen allemaal voor een bezoekje aan de supermarkt van Amance. Daarna rijd ik weer alleen, ze blijven een tijdje lunchen. Af en toe druppelt het wat, donkere wolken zijn gedurende de dag nooit ver weg. Tot een echt zware regenbui komt het niet.
Dit is ideaal fietsweer en ik schiet vlot op. Het bos bij Darney bevalt me net zo goed als op de heenweg. Tegen het middaguur koop ik wat zoete broodjes in het centrum van het stadje. De lucht is opgewarmd en het fietsen is, ook door wat klimmetjes die zich nu aandienen, een stuk zwaarder. Vermoeidheid is een proces van cummulatie en de optelling is nu wel zo'n beetje klaar. Na Tatignecourt weet ik dat er nog een paar steile klimmetjes volgen, waarvan één over een zeer slecht onderhouden weg, voordat ik Charmes bereik. Voorbij Ahéville heb ik ruim uitzicht over een dal. In de verte hangen pikzwarte donderwolken mij op te wachten. Het liefst zou ik niet doorfietsen, het ziet er onheilspellend uit. Onweer en wind zijn wel de ergste vijanden op de fiets. Met wind valt er nog wel vooruit te komen, zij het langzaam. Onweer blokkeert elke voortgang en stelt geduld, moed en creativiteit ernstig op de proef.

Tot Avillers durf ik wel te gaan, de afdaling duurt geen vijf minuten. Het dorp nodigt niet uit tot schuilen, het is klein, de huizen zijn lichtelijk vervallen en de sfeer lijkt op die in een woonwagenkamp. Men kijkt me letterlijk het dorp uit. Avignon ligt nog vers in mijn geheugen. Ook op de heenweg had ik hier dit gevoel, die herinnering versterkt het nu zelfs. Misschien dat ik droog Gircourt kan bereiken om daar voor de laatste serieuze klim een tijdje te schuilen. Voordat ik daar ben begint het echter hard te druppen, de wind neemt toe en het dondert op de heuvel die op mijn route voor mij ligt. Ik stop bij een bruggetje over de Colon op een strook gras aan de kant van de weg. Hoge bomen met ver overhangende takken geven me voldoende bescherming tegen de regenbui die aanstaande is. Ik wacht hier een kwartier totdat blijkt dat de onweersbui deze plek amper schampt. Wanneer de wind weer wat is afgenomen stap ik op.
Eenmaal op de grote weg die me naar Charmes voert zie ik voor mij een onheilspellend schouwspel. Boven de heuvel waar zich de contouren van Charmes aftekenen hangt over de volle breedte van de horizon een donkerzwart wolkendek. In mijn rug blaast een harde door het onweer aangewakkerde wind mij met hoge snelheid in de richting van de striemende regenbui die over de stad neerdaalt. Al een paar minuten laat ik mij voortblazen zonder ook maar een trap te doen. De rust van het platteland van daarnet heeft plaatsgemaakt voor de zaterdagmiddagdrukte van de provinciale weg. Het vrachtverkeer passeert me telkens op minder dan een halve meter afstand met hoge snelheid. De forse wind zorgt voor een enorme zuigging wanneer zo'n kolos mij voorbij raast. Ik heb geen andere keus dan mijn tempo wat op te voeren. Dit over de provinciale weg fietsen blijft zenuwslopend. Als een automatisme gaat je lichaam over op de survival stand: "zorg dat je hier zo snel mogelijk weg bent". Met de wind in de rug, ondanks de licht oplopende weg, haal ik met stevig bijtrappen makkelijk 28km per uur.
Ineens begint mijn fiets te slingeren, een vrachtwagen passeert. Intuïtief een lekke band aanvoelend, stuur ik de brede berm in. Dikke graspollen maken dat ik al hobbelend tot stilstand kom. Uithijgend van inspanning en schrik blijf ik een paar minuten staan. Het verkeer raast links van mij door. Pas nu merk ik hoe druk het werkelijk is. Dan stap ik af en begin de bagage van mijn fiets te halen. De lekke band belemmert me nu om in de onweersbui, die op nog geen kilometer voor mij de stad blank regent, terecht te komen. Weer dank ik God voor deze interventie. Wanneer ik de binnenband achter inspecteer kom ik tot de ontdekking dat het lek aan de velgzijde zit. Dat is vreemd, het duidt op een mogelijk te lange spaak. Natuurlijk zou dat kunnen na het vervangen van een aantal spaken. Het velglint blijkt geheel intact. De enige anomaliteit is een groef in de binnenband die eindigt bij het gat. Ik vermoed dat een steentje de veroorzaker is van het gat. Mogelijk is dat nog een restant van het verwisselen van de binnenband op de Col de la Percee.
In een poging meditatief te blijven om zo mijn ergernis over het langsrazende verkeer te minimaliseren, neem ik ruim de tijd voor het plakken van de band. Ik inspecteer de buitenband, standaard routine bij het plakken, op mogelijke onvolkomenheden en scherpe voorwerpen. Omdat ik me dat al eerder voornam, maar nog steeds niet heb gedaan, inspecteer ik ook even het profiel. Ik schrik heftig van de aanblik van het rubber, of liever gezegd van het volledig ontbreken daarvan, op het loopvlak. De achterband is in het midden over een strook ter breedte van een centimeter, volkomen kaal. Wat een wonder dat ik niet eerder een lekke band heb gehad. En wat een vreemde lekke band dit ook is, de buitenband is namelijk niet doorboord door een scherp voorwerp. Is dit drievoudige voorzienigheid in één? Een Goddelijke hattrick?

Mijn meditatieve toestand verandert in één klap in totale concentratie. Mijn geestesoog vernauwt zich tot een enkele focus: een nieuwe buitenband vinden. Mijn jachtinstict zwengelt mijn oplossingsmodule aan. In een flits zijn alle systemen erop gericht dit probleem zo snel mogelijk te analyseren, voorwaarden te toetsen of scheppen en in actie te komen. Ik overweeg of het mogelijk is verder te fietsen met de huidige middelen. Dat is alleen mogelijk als de binnenband geplakt is. Ik maak het klusje snel af, leg de banden er weer op. Voordat ik de bagage terugplaats, beslis ik dat als ik tot hier geen lekke band heb gehad door het versleten profiel, de kans dat dat die laatste paar kilometer gebeurt ook klein is, hoewel steeds groter wordt. Het idee om een auto aan te houden om te vragen mij te vervoeren streep ik weg nu de achterband weer opgepompt en ter beschikking staat. Pitsstop teneinde, bagage erop en fietsen.
In Charmes ga ik eerst naar het buro voor informatie voor toeristen. Twee gezellige dametjes willen me best een tijdje aan de praat houden. "Nee, een fietsenmaker hebben we allang niet meer hier in Charmes". Ik zucht eens diep, waar heb ik dat allemaal meer gehoord. Ik vervloek het boekje dat ik bij me heb. Liever weet ik niets vantevoren dan dat ik foutieve informatie heb. "Maar er is van alles leuks te doen hier", ze somt de ene na de andere volkse activiteit op. Bij het kantklossen onderbreek ik haar, "Is er dan een brico hier die mogelijk wat fietsonderdelen heeft?" Ik haat mezelf dat ik in Poligny niet heb toegeslagen toen de banden voor het oprapen lagen. En ik vergeet tegelijkertijd dat daar alleen 26" banden aanwezig waren, dat ik er nog om gevraagd heb en een beetje schaapachtig werd aangekeken, nee hier had ik alleen op kunnen anticiperen door de hele reis vanaf Nederland een reserveband mee te nemen. Of, zoals ik later bedacht, door halverwege de reis voor- en achterband te verwisselen.
Met een vage richtingaanwijzing voor een E. Leclerc supermarkt rijd ik het in mijn hoofd inmiddels tot dorp gebombardeerde stadje uit. In oostelijke richting, verder weg van de camping. Algauw fiets ik over een provinciale weg, het is ver na zessen. De winkel zal vandaag om zeven uur sluiten. Kom ik nog wel op tijd? Is dit wel de goede richting op? Een heuvel, een verlaten zijweg, een riviertje, veel groen langs de weg. Ik geloof er niet meer in dat ik nog een supermarkt tegenkom. Het lijkt erop dat ik de weg richting natuurgebied ben ingeslagen, zo mooi is het hier. Al kan me dat nu helemaal niet boeien. Ik wil een supermarkt! Ik stop om te overwegen terug te gaan. Maar de tijd is beperkt. Was er aan de andere kant van het dorp niet een industrieterrreintje? Zou daar geen brico zijn? Moet ik niet gewoon even terug fietsen? Alle opties die ik kan bedenken passeren de revue. Langzaam verlies ik de grip op wat reeel is. In Amersfoort weet ik de bouwmarkt zo te vinden, zal ik daar maar naar toe fietsen? Klokje: twintig voor zeven. Met een schok ontwaak ik uit mijn vermijdende fantasie. Er is geen keus! Het is nú of niet!
De tegenzin onderdrukkend, vervolg ik de weg naar Nergenshuizen. Ik heb mezelf opdracht gegeven nog even door te fietsen. Met heel hard denken heb ik zojuist vastgesteld dat er maar 1 optie een redelijke succeskans heeft op nieuwe band. Dat is doorfietsen tot winkelsluitingstijd.
Een hellinkje volgt, ik puf het uit. Niet weer omhoog rijden, ik ben zó klaar met fietsen voor vandaag! Ik kruis een voorrangsweg. Een enorme drukte van auto's, vrachtwagens, wandelende mensen, schreeuwende kinderen, winkelkarretjes. Volkomen blind voor mijn omgeving miste ik dat de weg eindigt op de parkeerplaats van de E. Leclerc. In een ruk ben ik terug in de werkelijkheid. Ik ben er! Hoera! Ik kan weer lachen, opgetogen dat het toch is gelukt. Onder verbazende blikken van het toegestroomde winkelpubliek zet ik mijn fiets tegen de pui en snel naar binnen. Waar zijn hier de banden?

M'n spanning loopt op: zouden ze wel 28 inch banden hebben, zouden ze wel 28 inch banden hebben? Ik herhaal het mantra, rennend tussen de schappen door. Ik heb totaal geen oog voor de produkten waar ik normaal ruim de tijd voor neem om het assortiment ervan te keuren. Slechts oog voor 1 kenmerkend detail: zwart rubber. Ik moet zwart rubber hebben!
Ja hier! 26 inch, nog één, 20 inch: kinderfiets, brede band, dikke noppen. Allemaal banden waar ik niets mee kan. Vertwijfeld rukken mijn handen de nutteloze banden van de haak waar ze op hangen. Met een klein laagje nog aanwezig fatsoen zet ik ze voor het schap. De neiging is sterk om ze door het gangpad te gooien. Vijf, zes zeven banden. Het pakketje onbruikbaar groeit met elke band die ik eraf pak. Links en rechts zie ik mensen mij aanstaren. Dat duurt maar even voordat ze demonstratief het gangpad uitlopen. Een stemloze uiting van het franse "laisser faire". Jammer, ik zou wel wat hulp en emotionele steun kunnen gebruiken.
De laatste band gaat van het rek. 26 inch, onbruikbaar. Merde! Demonstratief uit ik mijn frustratie, hoorbaar tot in pad 3. In het rijtje voor me staan ongeveer 20 banden, slordig tegen elkaar aangeleund. De plekken van de mini bandjes overduidelijk omdat de daar voor staande banden schuiner leunen. Ik steek mijn arm door het gat in het midden om in één beweging alle banden weer op de haak te gooien. Te overmoedig, de stapel is te breed en te zwaar om in één keer op te tillen. Met twee handen til ik de eerste helft van de banden op en houd ze even vóór mijn lichaam om ze daarna op de haak te schuiven. Één onwillige band steekt onderaan wat verder uit en lijkt uit het pakketje te vallen, snel knijp ik mijn handen harder bij elkaar. De band blijft er tussen steken. Wanneer dit eerste setje hangt buk ik om de tweede te pakken. Hé, die band van net hangt er nog steeds onder uit. Pas dan valt het kwartje: die band is groter!
In het tweede setje vind ik er nog twee van 28 inch. Ik koop er twee en laat de derde hier, heel sociaal, voor een volgende gelukkige.
![]() | ![]() |
vrijdag 28 juli 2006
Bikers Reunion
Dag 29 | Etappe 27 | Port s/Saône | 105,5km | 2297,5km
![]() | ![]() |
Geïnspireerd door het gesprek met Rolf gisteravond, ben ik ook vandaag vroeg op. Het gaat me steeds makkelijker af. Nu 's ochtends is de vermoeidheid helemaal verdwenen. Fit pak ik snel alles in, Rolf die iets sneller is dan ik groet mij en dan ven ik ook op weg. Eerst naar de plaatselijke super. Die is ruim bemeten en ik vind snel alles wat ik zoek. Dan de bakker, vers gaat altijd boven supermarktbrood. Erg aardig zijn ze hier niet. Onder elkaar is het vriendelijk groeten. Mijn bonjours worden niet beantwoord. Zeker bij de bakker is het erg opvallend hoeveel moeite men doet mij niet aan te kijken, om zo geen praatje te hoeven beginnen. Ik trek me er niets van aan, het is vast niet mijn probleem. Zolang ik mijn brood maar krijg, over een paar minuten ben ik hier weer weg: "alles is steeds in verandering". Later probeer ik nog een analyse los te laten op dit gedrag, dat ik bij bakker, supermarkt, maar ook op straat bemerkte. Overal waar ik kwam op mijn reis in Frankrijk was de meerderheid van de bevolking vriendelijk. Men groette spontaan, of uitte zelfs aanmoedigende kreten. Hier niet. De bevolking is volkomen in zichzelf gekeerd. Op de camping was daar gisteren niets van te merken. Maar het halve uurtje dat ik hier nu rondloop tussen de winkels valt het me overduidelijk op. Of hebben ze collectief een ochtendhumeur?
Mijn vermoeden is dat de historie van dit dorp zo specifiek is dat het de mensen en de gemeenschap gevormd heeft. In het verleden werkte iedereen in of ten behoeve van de zoutfabriek. Uit een welhaast communistisch ideaal van de eigenaar wilde hij ook dat iedereen in een soort commune op het fabrieksterrein, afgesloten van de buitenwereld, leefde. Men is eraan gewend op elkaar aangewezen te zijn en de rest van de wereld buiten te sluiten. Mogelijk is dat gedrag stevig verankerd en ook aan de volgende generaties doorgegeven. Ik ben geen socioloog, maar het is misschien een mooi onderwerp voor een dissertatie: "Vercommunisering ten tijde van de industrialisatie in Frankrijk". Er bestaan vast meer van dit soort leefgemeenschappen. En daarbij is Frankrijk de enige staat waarin het communisme echt werkt maar niemand dat zo benoemd. Dat is het geheim van de fransen: we doen het wel, maar we zeggen het niet.
Over zeer bekende wegen - op de heenweg folterden mijn ingewanden mij hier - bereik ik binnen twee uur Marnay. De lucht is gevuld met donkere wolken, het is niet zo warm als eerder en dat fietst makkelijk. Vanaf hier rijd ik verder in boekje in. Bij het postkantoor rust ik even uit, de zon prikt even tussen de wolken door, en schrijf wat kaartjes. Via een stukje provinciale weg bereik ik Gy. Van daar gaat het verder over kleine binnenweg. In de beklimming naar La Chapelle - St. Quillain staan aan de rechterkant twee fietsers. Ze kijken naar de paarden die hier in de wei staan. Ik stop naast hen en we praten wat. "We zijn al vanaf zes uur aan het fietsen", zegt zij. "Ach, dat is toch niet zover", reageert hij op mijn opmerking dat ik vandaag nog naar Port s/Saône wil fietsen. "Wij doen er minstens 150 per dag, eitje!". Zij is gekleed in kleren van een tiener, hij een beetje bekakt, compleet met bemodderde mocassins. Ik schat ze 50 plus.

"We hebben vorig jaar een Alpentour gedaan, heerlijk! Compleet georganiseerd, luxe hotels en bagage vervoerd natuurlijk". "Oh en een paar jaar geleden een Afrika tour, wel wat minder al dat stof, maar toch ruim 150km per dag fietsen!". Hij bazelt maar door over zijn eerdere tochten, alsof ik betalend publiek ben. "Wat doe je eigenlijk in het dagelijks leven?" vraag ik om enigszins de conversatie op gang te krijgen. Ik had ook gewoon door kunnen fietsen, dan stond ie er nu nog te babbelen. "Hij is arts en verdient goed en ik maak zijn geld op", ziet zij nu haar kans schoon ook wat te zeggen. Wanneer er verder geen vraag terug komt, stap ik op voordat hij weer doorgaat met z'n monoloog. "Fijne dag nog!"
Er volgt een klein stukje klim waarin ik makkelijk weer in mijn ritme kom. Dat helpt me om deze ontmoeting snel achter me te laten. Het had niet veel gescheeld of ik was onaardig geworden, wat een blaaskaak.
In Soing lunch ik aan de oever van de Saône, in het gras, net naast de Eiffeltorenreplica. Het broodje, dat een typisch Hollandse broodvorm heeft, kocht ik in Arc-et-Senans. Het smaakt voortreffelijk. Halverwege de lunch komt iemand op een mountainbike de brug over gevlogen, rijdt me voorbij over de 100 meter verderop gelegen weg. Ik kijk hem na en zwaai een keer. Hij stopt en draait om, komt naar me toe gefietst. Zijn handen zijn zwart van vuil en vermoedelijk ook vet. "Hallo", begint ie in het Vlaams. Voor ik ook maar iets terug heb kunnen zeggen, spuwt ie z'n verhaal over mij uit. Dat ie Hugo heet, een kapotte achterband had, meegenomen is door een fransman, het hem uren heeft gekost en dat ie nu nog een behoorlijk stuk moet fietsen. Dat ie dus niet kan komen meelunchen. Hij moet naar Avignon en wil daar over vier dagen zijn. "Dan moet je maar snel doorfietsen", zeg ik met een grote grijns. Ik blijf nog even lunchen en genieten van het zicht op de rivier.
Op de heenweg vloog ik over deze wegen. Van Darney tot Marnay, 120km in 8 uur. Die dag voelde ook geweldig, alsof ik kracht voor tien had. Vandaag is dat anders, ik ben al een eind gevorderd maar voel dat ook in heel mijn lichaam. Weer zo moe als gisteren aan het eind van de dag. Vanaf Rupt ploeter ik verder, wetende dat het nog maar 15 kilometer is. Leeggereden kom ik aan bij de camping, die vlak naast het haventje ligt. Ik had wat moeite om de weg ernaar toe te vinden, waardoor ik in het dorp nog een redelijke klim mocht overbruggen. Het is nu na zessen, al met al nog een lange dag fietsen. De camping is groot en niet al te druk bezet. Ik zet koers richting het grote veld waarop alle trekkers mogen staan. Fietser, wandelaars - die heb ik niet gezien - en ook wel mensen met auto's. Veel naaldbomen in het midden een groter stuk gras, en ook nog afbakening van plekjes. Ik zoek een plekje tussen de vele fietsers uit, niet helemaal zeker wetend of ik nu half op de plek van mijn achterburen sta. Het zal wel goed zijn, ik ben er maar voor een nachtje.

Bijzonder, hier tussen de bomen lijkt het alsof je midden in het bos kampeert. De dennen reiken wel tot dertig meter, een imposante aanblik als je uit je tentje kruipt, neem ik alvast een voorschot op mijn ervaring van morgenvroeg. Ik haal mijn spullen van de fiets, leg alles klaar om de tent op te zetten en dan voel ik een eerste druppel. Het laatste uur was er wel dreiging van wat regen, erg donkere wolken, maar steeds weer trok het over. Nu kijk ik eens naar boven en slik even: dit is serieus. Nog een paar druppels en dan regent het echt. Ik pak mijn tas met proviand en verkas naar een droge plek tussen de bomen. Mijn buren verhuizen met kookstel en al naar hun voortent om daar hun maaltijd voor te zetten. Meewarig kijken ze mij aan, "Er is niet genoeg plek voor drie hier", roept hij naar mij. Ik zwaai en lach, houdt de zak chips op waar ik net uit ben begonnen te eten. Ik vind het wel best, dit is vermakelijk. Al die mensen die in hun tentjes kruipen en in ongemakkelijke houding naar buiten zitten te staren tot het ophoudt met regenen. Ik sta hier vorstelijk tussen de reuzen die mij droog houden en geniet met volle teugen van het natuurgeweld. Een beetje leedvermaak heb ik ook wel. Ik heb uitzicht, ruimte, te eten en drinken. Mijn tent zet ik later wel op.
Eigenlijk wil ik nog iets doen aan mijn proviandering. Op mijn omweg naar de camping heb ik wel een supermarkt gezien, maar in de haast de camping te vinden ben ik daar nog niet naar binnen geweest. Wanneer het tegen zeven uur bijna droog is, zet ik snel mijn tent op. Met één leeggemaakte achtertas ga ik op pad om in te kopen. Kwart over zeven, een verlaten parkeerplaats. De laatste medewerker verlaat net het pand:"Ja, we gaan om kwart over zeven dicht". "Wat jammer!" Ik ga niet bij de Pizzeria ernaast zitten, waar ik op het terras een ander stel van de camping zie zitten. Geen zin in Pizza. Ik fiets terug richting camping en blijf even in het water van het haventje staren. Dan ga ik de bar van restaurant 'Le Port' maar eens in en bestel een biertje. Da's in elk geval wat vulling. Eten doe ik straks, er zit nog wel een blikje met het een of ander in mijn tas.
Het duurt even voordat ik de aandacht van het barpersoneel heb. Een man, aan zijn gescheld te horen de baas van het spul, staat een heel jonge serveerster hevig uit te foeteren. Ze heeft een dienblad in haar hand met koude en warme dranken. Een vrouw, aan haar onderdanige houding te zien de echtgenote van de barse baas, loopt zenuwachtig achter de bar heen en weer. Ik zit op de hoek van de bar, naast de bierpomp. Links van mij zitten wat mensen aan een tafeltje, voor de rest is de bar leeg. Ik sla het tafereel gade met een ontspannen glimlach op mijn gezicht. Uit het gesprek leid ik af dat het meisje niets kan doen aan de beschuldigingen die de barbaas uitspreekt. De vrouw mengt zich in de discussie en wil het meisje naar het restaurant sturen. Ik gluur eens om het hoekje door de glazen deur het vrijwel lege restaurant in. Aan een grote tafel kijkt een aantal mensen onze richting op. Het rumoer is opgevallen. Na veel vijven en zessen verdwijnt de barbaar boos naar de keuken. De vrouw lacht verzuchtend en kijkt mijn kant uit terwijl ze haar schouders ophaalt. Ze spreidt haar armen een keer met open handen naar boven gericht. Alsof ze wil zeggen: ik kan er ook niets aandoen. En dat is natuurlijk zo. Het meisje is zojuist door de deur verdwenen.

"Doe mij maar een biertje", roep ik lachend, wijzend op de amsteltap, haar kant op. "Welke wil je? Want deze tap is nog niet koud" Ik kijk hoogst verbaasd op: "Nog niet koud? Maar het is van de tap toch?" "Ja, de installatie deed het niet, mijn man heeft 'm net aangesloten. Als je wacht is het straks wel koud. Wil je anders even proberen?" "Doe maar een glas, ik heb nu wel dorst, ik zit hier al een tijdje." Verontschuldigend haalt ze even haar schouders op en wend haar hoofd af. Ze pakt een glas, tapt het vol en houd haar andere hand er even tegenaan. Dan reikt ze mij het glas aan: "Voel maar, da's niet echt koud." "Het maakt me niet uit, ik heb vooral dorst", antwoord ik. Maar ze is al bezig om uit het andere vaatje te tappen, ook al zeg ik dat het echt niet hoeft. Ze zet het glas voor me neer en zegt: "van de zaak, omdat je zolang moest wachten". Ik knipoog maar een keer, heb wel medelijden met 'r. We kletsen wat over het weer, de omgeving. Ik vertel over de supermarkt en dat ik erover verbaasd ben. "Ach, Port s/Saône is maar een heel klein plaatsje. De middenstand is eigenlijk alleen in de zomer een beetje actief, als de haven vol ligt. Verder gebeurt er niet veel." En ook nu is het restaurant leef, maar die opmerking houd ik maar voor me. Ik reken af en waggel naar mijn fiets. Het komt wel aan dat lauwe biertje.
Al bijna half negen, ik heb nog niet gedouched, nog niet gegeten, maar wel al wat biertjes op. Mijn maag rommelt, maar eerst maar eens douchen. Op een bankje tegenover het sanitairgebouw zit een ouder stel in een haast romantische omhelzing samen te genieten van wat fruit, hun toetje. Het zijn de Nederlanders met de tandem. Ik zwaai vriendelijk en zij lachend terug. Na de douche praten we even met elkaar. Harm-Jan en Ineke, hun auto staat ergens in de buurt en ze maken een rondrit met de tandem van een aantal dagen. Ze bieden me van alles aan om te eten, maar ik sla het af. Ik maak klaar wat ik in mijn tas nog vind aan eetbaars en kruip vroeg in bed. Na de regen is het flink afgekoeld, een heerlijk klimaatje om lekker in te slapen!
![]() | ![]() |
Abonneren op:
Posts (Atom)








