Dag 31 | Etappe 29 | Volstroff | 162,6km | 2575,4km
![]() | ![]() |
Wanneer ik net na zes uur mijn hoofd buiten de tent steek, is het doodstil op het kampterrein. De bivakzak van mijn buurman Roel is nog dicht. We hebben gisteren lang gesproken over de voor- en nadelen van onze tenten, en waar we op uitkwamen is dat hij graag mijn tent zou hebben. Met zijn bijna 2 meter past hij niet languit in de bivakzak. Het erin kruipen was gisteravond een hilarische happening. Net achter hem staat de ruime tent van de Limburgse motorrijder. Een man van mid vijftig, met snor, goed gebruind en een zeer vriendelijke uitstraling. Beetje type Schimanski, maar dan zonder de temperamentvolle woede-uitbarstingen. Zeg maar Zen. Hij leest een heel dik boek. Wanneer ik ernaar vraag, laat hij alleen even de kaft zien en zegt verder niets. Ik lees hardop de titel; "Padwerk" en kijk hem daarbij aan met opgetrokken wenkbrauwen. Hij monstert mij met een brede glimlach, niet van plan ook maar iets te zeggen over het boek. Op mijn wat algemenere vragen over afkomst, plannen, hoe hard zijn motor kan, hoezo hij zo'n asociaal grote tent heeft voor een trekker op de motor - hij zit ook nog eens op een erg gemakkelijke stoel - en wat ie gegeten heeft, komen kortaffe doch vriendelijke antwoorden. Hmm, dat padwerk gaat zeker niet over communiceren vermoed ik.

Het eerste wat ik aanpak is de achterband van mijn fiets. In minder dan een kwartier ligt de nieuwe erop. Terwijl ik bezig ben mijn handen vuil te maken, schuift de een na de andere trekker aan bij de motormuis die net na mij opstond en inmiddels koffie aan het zetten is. Met z'n vieren - het stel dat gisteren laat nog op de motor arriveerde, de padwerkmotorman en Roel van de bivakzak - slaan ze mijn gesleutel gade. Na mijn herstelwerkzaamheden ga ik even bij ze aan de picknicktafel zitten. Het is erg gezellig hier op de vroege ochtend. Het ouderwetse gevoel van het zondagochtendontbijt, al is het voor zevenen en voelt het ook erg vroeg. Na het douchen pak ik snel in, sla de aangeboden koffie en het gebakken eitje af - moet er niet aan denken dat dat straks met het fietsen omhoog wil komen - en ben op weg: half negen, lekker vroeg nog. Bij de plaatselijke (banket)bakker sla ik de gebruikelijke brandstof in en fiets door de frisse ochtendlucht richting het platte land van Noord Frankrijk. De laatste dagen waren bosrijk, vanaf Charmes tot de grens met Luxemburg zal ik voornamelijk door akkergebied koersen. En de hoofdmoot is hier: graan, graan en nog eens graan. Ik mijmer wat weg naar de beelden die ik nog heb van de heenweg. Een herinnering aan een plezierige tocht, glooiend landschap, lekker weer na een nachtje regen in Lunéville. Mijn gedachten gaan over naar de slaapplaats voor vanavond. Dit is het lege gebied met weinig campings. Op de heenweg haalde ik Château-Chalins niet en bleef ik een nachtje in een Bed & Breakfast. Daar deed ik de belofte op de terugweg er ook te slapen. Ik blader en reken wat en kom uit op ongeveer honderd kilometer tot Brulange. Da's wel te doen, zeker nu ik zo vroeg op pad ben. In Château-Chalins - op zo'n 80 kilometer - wil ik na de verhalen over zigeuners die de camping daar hebben bezet, niet bijzonder graag kamperen. Ruben die ik op mijn heenweg in Darney sprak, vertelde dat hij er niet erg op z'n gemak had geslapen.
Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen wanneer ik verderop een jongen en meisje uit de bocht zie komen, op de fiets, in mijn richting. Even later volgt een vrouw. Ze hebben allemaal bepakking. De kinderen zijn hooguit tien jaar. Ze kijken allebei zeer opgewekt, zelfs zo vroeg op zondagochtend. We groeten elkaar vriendelijk, de vrouw heeft een glimlach die op haar gezicht lijkt gebeiteld. En weer schieten er duizenden vragen door mijn hoofd, net als toen ik uit Sts. Maries vertrok. Een korte ontmoeting, een ervaring, contact in één blik. De komende kilometers heb ik weer iets anders dan het fietsen, de zon, de wind, de hellingen, de pijntjes om mijn hoofd mee bezig te houden. Een luxe vorm van entertainment, ik ben theater en publiek tegelijk. Zolang ik op de fiets zit is er geen aanleiding tot verveling.
In Lunéville stop ik even bij de bakker om bij te tanken, het is zondag, de komende kilometers volgen er alleen nog maar kleine dorpjes. Ik maak me vooral zorgen over de mogelijkheden om aan drinken te komen. Op kraanwater ligt een boycot, ik zal vandaag nog flessenwater moeten vinden. Ik gok op een benzinestation, dat van Lunéville ben ik blijkbaar al gepasseerd. Mogelijk dat ik in Château-Salins kan scoren.

Dorpjes met namen als Einville, Deuxville en Bienville zie ik op de kaart langs mijn route voorbijtrekken. En natuurlijk de vele dorpen met -court (koerd) in de naam. Ville en court, dan iets ervoor, ze houden het hier makkelijk. Ik rijd in het gebied tussen Nancy en Metz. Dit zijn de Kolchozen van Noord-Frankrijk, waar in het begin van de 20ste eeuw fransen met subsidies naar toe gelokt zijn om een landbouwbedrijf te beginnen. Ook toen al was het gebied leeg, niet zo verwonderlijk na twee oorlogen met de buurman. De meeste mensen waren dood - zie Verdun - of weggetrokken naar zonniger oorden. En nu nog is het een verlaten gebied, met veel dorpen die uitgestorven zijn. Het afbladdergehalte van de huizen is hoog, van de heenweg herinner ik mij Aoury: gelijk een spookstad in het Wilde Westen. Desondanks is dit een schitterend landschap, glooiend, zacht, uitnodigend. Vandaag is het niet warm, niet koud. Wat bewolking, misschien wat licht vochtig drukkend, maar niet storend. Een prima zondagje om buiten te zijn, wandelend of fietsend natuurlijk. Het voelt goed vandaag, ik heb er zin an. Dit kon wel eens een flinke etappe worden. Ik geniet van het glooiende, steeds weer op en neer in een gestage cadans. Mijn herinnering aan deze streek van de heenweg is zeer helder, het was in de eerste week waarin ik vrijwel alles wat ik tegenkwam opzoog. Eigenlijk voel ik me hier bijzonder thuis, ik wil ook wel zo'n subsidie!
Tegen lunchtijd rijd ik Château-Salins binnen. Op zoek naar drinkbaar water rijd ik het dorp een keertje rond, dat kost nog geen vijf minuten. Meteen spot ik ook de richting van de camping, daar wil ik dus niet naar toe. Tegenover de kerk is de plaatselijke horeca gelegen, een bar met daarbij een restaurant. Hét restaurant van Château-Salins, het is er bomvol. Serveerster lopen kwiek laverend met volle dienbladen tussen de tafeltjes door. Aan de bar vraag ik of ze flessen water verkopen. Die hebben ze wel, gekoeld zelfs. Omdat ik niet weet of er in dit van God verlaten deel van Frankrijk nog gelegenheid komt tot inkopen vraag ik of ze ook cola heeft. Ik ga voor een maximale bevoorrading, het is ook nog eens zondag, en dat betekent drie volle bidons, 2 flessen water voor en 1 achter en nog een fles cola. Bij elkaar negen liter. Negen kilo extra gewicht dus. Het meeste daarvan zal vandaag nog verdampen als zweet van mijn huid. "Bien chargez" neem ik afscheid, het personeel een beetje meer verward achterlatend dan het al was. In hun ogen is het sowieso al vreemd dat ik niet ga zitten lunchen op het daarvoor bestemde tijdstip. Dat ik dan ga fietsen, zo volbepakt, is hier reden tot veel hoofschuddens en ietwat verbaasde glimlachen.
Na deze proviandering fiets ik met een geruster gevoel verder. Château-Salins afgevinkt, daar hoef ik niet te overnachten, en voldoende vocht om vandaag en de nacht door te komen. Dan hoef ik nu alleen nog maar te fietsen, en mijn proviand te nuttigen. Wat is het leven toch weer heerlijk simpel. In Château-Bréhain stop ik even om te kijken of mijn banaantje er nog ligt. Daar beslis ik ook dat ik niet de iets kortere zelfgemaakt variant over Brulange neem, maar nu de officiële route volg. Dan kan ik het plaatsje Lucy ook aandoen. Het half uur er naartoe fantaseer ik over blonde meisjes in petticoats die de straten van het dorp bevolken wanneer ik er binnenrijd. De werkelijkheid is anders, het is er doodstil op een paar spelende kinderen na, helaas. Het is half drie, de teller staat nu op honderd kilometer. Ik voel me niet alleen heel fit, het blijkt ook uit het gemak waarmee ik vooruit kom.
Vlak voor Servigny staat in de bocht een stel met een tandem. Hij houdt de fiets vast en zij loopt er druk gebarend en pratend omheen. In mijn zenachtige rust van het zo goed op schema liggen, neem ik de tijd om een praatje te maken. Ze hebben pech gehad in Luxemburg, een gebroken velg. Met veel overredingskracht hebben ze de plaatselijke fietsendealer - makers bestaan er bijna niet meer - zo gek gekregen een achterwiel van een complete fiets af te staan. Hier in de bocht staan ze voor de zoveelste keer stil om de spaken aan te draaien. Ik vermoed dat ze door het incident nu last hebben van spaakfetisjisme. Het ziet er ook niet naar uit dat er enige visie is bij het aandraaien van de spaken, ze draait willekeurig wat aan de nippels zowel voor als achter. "If is ain't broken, don't fix it", is hen waarschijnlijk onbekend.

Opgemonterd van het gesprekje vervolg ik mijn weg, noordelijker in de richting van Luxemburg. Tot nu toe heb ik me niet druk gemaakt over waar ik zal slapen. Bettembourg is misschien iets teveel van het goede. Het is nu vier uur, ik heb er honderdtwintig opzitten, tot daar nog 80 kilometer. In het boekje staat dat er bij Metzervisse een camping is, nog zo'n veertig kilometer van hier. Dat moet te doen zijn, en anders zijn er nog een paar B&B's, maar wel van de route af. Als ik niet hoef om te rijden, dan liever niet. Voorbij Courcelles eet ik wat aan het meertje waar ik op de heenweg ook stopte. De zon schijnt weer en ik warm mijn door de wind koudgeblazen lichaam in haar stralen. Het licht filtert zacht door het bladerdek van de bomen die het meertje omzomen. Zou ik hier niet kunnen kamperen? In de verte donkere wolken, het ziet er niet naar uit dat ik het de rest van de dag droog houd. In de klim naar Vry heb ik de wind, die flink is toegenomen, pal op kop. Mijn Zen gevoel van daarstraks vloeit langzaam uit mijn lichaam, in het tempo waarmee ik vooruit kom. Het maakt plaats voor woede en frustratie, het lijkt alsof ik nooit bovenkom. De wind snijd mijn adem af en ik erger mij aan elke auto die me inhaalt bij mijn worsteling naar boven. Zo ik zie heb ik last van een Noordwesten wind. Voorbij Vry gaat de route pal noord, ik verheug me er nu al op straks de wind schuin van voren te hebben en hoop dat de weg ook weer wat glooiender of misschien wel dalend zal zijn.
Met de televisietoren van Luttange als richtpunt, begin ik aan de klim daar naartoe. Met ruim honderveertig kilometer op de teller grijp ik alles in min omgeving aan mij te motiveren, op te peppen. Nu moet het van diep komen. De ervaring van 4 weken fietsen is een grote steun. Dit soort momenten maakte ik al vele malen mee, telkens ben ik weer doorgegaan, waarom zou dat nu niet lukken? In Metzeresche neem ik ruim de tijd om uit te vissen waar de camping van Metzervisse is. Volstroff staat er achter in het boekje. Wegsgewijs heb ik twee opties: linksom of rechtsom. Mijn interne muntje zegt rechtsom de route volgen, ook omdat ik dan door Metzervisse kom dat er op de kaart uitziet als een wat grotere plaats, misschien valt er nog wat te eten. Het is na zessen, ik begin de vermoeidheid van deze lange dag te voelen. Ben wel klaar met fietsen. Al heeft mijn lichaam vandaag nog niet één keer dienst geweigerd, mentaal ben ik op. Ik merk dat het chagrijn toeslaat, ik heb honger, zin in douchen en liggen. Metzervisse blijkt net zo uitgestorven als alle andere plaatsen hier. Met de donderwolken erboven lijkt het helemaal onheilspellend. Het liefst was ik hier nu niet, maar aan een zonnig strand met palmbomen.
Ik scan de straten en huizen af naar levende wezens. In de verte een zwerfhond in de typische halfscheve loophouding, de neus in de wind op zoek naar iets snaaibaars. Een eenzame auto die voor mij op snelheid de bocht neemt, weg van hier. Links een groot huis met een schuur ernaast, een oude man op een bankje de handen leunend op een stok. Ik knik en rijd hem voorbij. Voor mij zie ik alweer het einde van het dorp. Er is hier helemaal niets! De schrik slaat mij om het hart, zou er wel een camping zijn? Wie wil er hier nou kamperen? Het is hier dood, leeg, kaal, stil. Voordat ik de helling naar beneden vervolg gooi ik het stuur om, naar links in de richting van de oude man met zijn stok. Op een meter voor hem houd ik halt. Hij kijkt me even aan en zegt in onverstaanbaar frans iets. Ik roep - vermoed dat ie doof is - "camping" en "Volstroff" naar hem. Hij wijst naar links, de heuvel af. Ik vraag of die camping er echt wel is. Hij knikt, en mompelt iets van "heel groot, heel druk" en kijkt misprijzend. Nog niet zeker over het bestaan van de camping vraag ik het nog maar een keer. Mijn hersenen werken niet meer zo goed, ik interpreteer zijn gezichtsuitdrukking wel en leid daaruit af: "geen camping". Zijn woorden komen maar niet binnen. Hij leunt voorover op zijn stok en komt overeind, neemt een paar passen naar de weg en wenkt mij. Ik schuifel met de fiets tussen mijn benen naar hem toe. Met een van boven naar beneden zwaaiend armgebaar in de richting "heuvel af", wijst hij mij de weg. Die kant op, dan links, heel grote camping, echt waar, vorige week was ie er nog. Nog niet overtuigd, stap ik toch op. Bedank de oude en zoef vertwijfeld de heuvel af richting Volstroff.
Om daar te komen moet ik ook weer omhoog, onvermijdelijk in dit landschap. Het bordje van het dorp maakt veel goed, deze had ik nog niet: "Volstroff". Het klinkt heerlijk naar Russische Wodka. In het dorp is één weg naar links, die neem ik ook al zie ik nergens een bordje 'camping'. Volgens mijn kaartje ben ik nu terug aan het fietsen naar Metzeresche, waar ik een uur geleden ook was. Een beetje met de moed der wanhoop ploeter ik voort, omhoog de helling op. Nergens ook maar een teken van iets als een camping. Rechts zie ik een watertje, hoge hekken eromheen en een heel grote parkeerplaats. Wat auto's rijden het terrein af. Het lijkt op een recreatiegebied. Zou het dan toch? Maar dan rechts weer bos. De net opgeflakkerde hoop is evenzo snel weer vertrokken. Bij Metzeresche staat in het routeboek een bedje en daarachter 3km, wat zoveel betekent als: Bed & Breakfast op 3 kilometer. Ik fiets in elk geval door tot daar. Dan zie ik rechts vlaggen, een hek openstaan, daarachter een lange brede oprijlaan en wat gebouwtjes. Een groot bord met de naam van het recreatiegebied. Nog geen teken van een camping. Ik fiets naar het gebouw dat eruitziet als receptie. Mooie glazen schuifdeuren, een prachtige entree, goed verzorgde receptie. Ik ben op de juiste plek, de camping ligt iets verderop op het terrein.
Terwijl ik mijn tent opzet begint het te regenen. Haastig klaar ik de klus en rust op mijn slaapzak even uit. Liggend maak ik alvast wat aantekeningen in mijn logboek. "Plop, Schhht", klinkt het tegen mijn tentdoek. Ik schrik. Ik hoor wat kinderen lachen en schreeuwen. Dan weer: "Plop, Schhtt". En het gestuiter van een bal over het gras. Kindervoetjes naast mijn tent, iemand die roept: "Attention, vite!". En nog een keer de bal tegen mijn tent, veel harder nu dan de twee eerdere keren. Ik voel hoe het bloed naar mijn hoofd stijgt, ik ben zwaar geirriteerd. Moe van de lange dag, nog niets gegeten en nu ook al niet de kans krijgend tot rust te komen. Wanneer de bal nog een keer mijn tent raakt, en hoorbaar erover heen stuitert besluit ik in een flits in te grijpen. Voor ik het zelf door heb duik ik voorover in een koprol mijn tent uit en kom op mijn voeten terecht. Meteen sta ik recht overeind. Naar alle kanten stuiven de kinderen weg die zojuist nog met een leuk spelletje bezig waren. Ik pak de pal onder de struik vandaan en houd hem hoog boven mijn hoofd. Op een afstandje van 15 meter staat een groepje dreumessen te wachten op wat volgt. Ik kijk ze bozig aan en roep: "Va voir ta mere!" tegelijkertijd de bal met volle kracht naar ze toe werpend.
Na deze actie grijp ik snel mijn douchetas. Ik ben weer in actie en heb begrepen dat ik iets moet doen aan mijn lamoryante situatie. De vier B's ten uitvoer brengen: Bier, Bad, Bunkeren, Bed. De eerste zal niet gaan, ik heb niet ingekocht vandaag. Bij de tweede B confronteer ik mijzelf met nog een eigenschap waar ik niet Zen van wordt. Er zijn maar twee douches en er staan wel vier mensen te wachten. Als ik ergens een grote hekel aan heb dan is het aan zinloos wachten. Ik maan mezelf toch tot kalmte, ik blijf hier nog even. Twee anderen staan er al wat langer en geven het wachten op. Wanneer eentje de wc induikt, gaan gelijktijdig de twee douchedeuren open, oh heerlijke voorzienigheid. God is zeker een fietser! Mijn avondeten is karig, wat brood een blikje vis, en een tomaat. Ik ben te moe om goed te eten en laat het hierbij. Al vroeg lig ik op mijn slaapzak te doezelen. Na te genieten van de vele kilometers landschap die vandaag aan mij voorbij trekken. In een roes van de kick dat het vandaag allemaal weer gelukt is, val ik met een tevreden glimlach in slaap, morgen weer een dag!
![]() | ![]() |



Geen opmerkingen:
Een reactie posten