Dag 22 | Etappe 20 | Malaucène | 65,4km | 1670,6km
![]() | ![]() |
Vanochtend slaap ik uit en sta langzaam op. Ik wacht op een douche, is het hier nou zo druk? Wanneer ik ingepakt en klaar voor vertrek ben, gebeurt het onvermijdelijke, ik raak weer eens met iemand in gesprek. Waarom toch altijd op het moment dat ik vertrek? Zie ik nu pas een parrallel met anderen die dat ook doen? Die pas met je in gesprek gaan op het moment dat je bijna weg bent? Zodat het einde van het gesprek al bijna gemarkeerd is, het zal niet lang duren. Ja ik heb een specifiek iemand in gedachten... Een zeeuwse spreekt me hier aan. "Zo ben je gisteren van de trein in Avignon gekomen?". Ik schud nee en glimlach, ik zeg niets, nog niet. "Oh uit Arles dan?". Zelfde reactie, grotere glimlach. "Maar waar kom je dan vandaan?", "Met de slaaptrein uit Nederland toch?". Ik schud nogmaals, en dan een knik, een langzame, een verre knik. Mijn ogen strak op de hare gericht, ik wijk niet. Haar ogen verwijden, maximaal. Ze denkt, op vol vermogen. "Waar staat je auto dan?". Ik lach, een beetje schamper, en dan voluit. Ik beheers me en knik nogmaals heel langzaam, ter bevestiging van de gedachte die zij niet wil toelaten in haar hoofd. Een onmogelijkheid verschijnt voor haar ogen. "Nee!", "Dat kan niet!", "Is het echt?", "Nee dat kan toch niet?", "Echt waar?". "Nee, niemand fietst uit Nederland naar hier!". Ik zeg: "Het is nog erger, ik ben alweer op de weg terug". Haar mond valt open, ze valt stil. Herpakt zich in een seconde en vertelt het aan haar man die net voorbij komt. Die begint te lachen. Om haar naiviteit?

Na de bakker en de supermarkt rijd ik op goed geluk het dorp uit. Naast het kerkhof op een bankje ontbijt ik, amandelcroissant en koffiebroodje. En ondertussen teken ik mijn route voor vandaag, en schrijf ik een kort road-book. Ruim 65 kilometer, wel geaccidenteerd en hoge temperaturen. Het word een zware dag, ook omdat ik zelf de route moet vinden. Dat betekent meer inspanning onderweg, de onzekerheid van de bevoorrading, en geen duidelijkheid over de hellingen vooraf. Mijn besluit kwam vanochtend. De Mont Ventoux. Met Eddy in mijn achterhoofd: "die laat je toch niet liggen!". En als ode aan Sharon, de absolute berggeit. En omdat ik niet nog een keer door Avignon wil fietsen. Maar vooral omdat ik niet wil toegeven aan mijn angst om die berg niet op te rijden. Ik ga ernaar toe. En morgen, waarschijnlijk morgen, zal ik er tegen op rijden. Mijn eerste serieuze beklimming. Mijn eerste duizender. Ach die getalletjes zeggen me niets. Alle colletjes die ik al nam met volle bepakking, samen zijn ze veel meer dan 10 Mt. Ventouxen. Ik zet het van me af, ik ga op weg. Ik droom er nu van, ik ben nog onwetend. Eerst maar eens in de buurt komen.

Via een landweggetje kom ik al snel in Chateua Renard, een iets grotere plaats met bijbehorend pleintje, winkels en drukte. Net buiten het centrum stuit ik op de grote weg. Vrachtwagens worden ingehaald door haastige autos. Het is warm en stoffig en ik heb een onbestemd gevoel in mijn maag. Onder de brug, een ruime 270 graden bocht naar rechts en naast het langsrazende verkeer fiets ik omhoog om de Durance over te steken. Nog geen 10 kilometer verderop stak ik deze rivier vier dagen geleden over. Ik ben weer in de Vaucluse. Aan het eind van de brug verbaas ik mij over het idee om hier de Péage op te kunnen rijden, dit is geen weg voor fietsers, voor mijn routeboek vandaag voldoet ie maar net. Nog geen uur onderweg en ik begin al lichtelijk vermoeid te raken, wat goed dat ik vandaag een relatief korte etappe heb.
Op de weg omhoog door Velleron zit ik er al doorheen. Steile weg, blakerend asfalt, rommelige maag, slappe benen. Ik wil nog niet stoppen, ik ben pas net vertrokken, zo voelt het. Toch maar even dan, wat water uit mijn bidon. Getver, nog meer last van mijn maag. En toch ben ik weer onverstandig geweest en heb mijn bidons met het water op de camping gevuld. De chloorsmaak staat me tegen, ik voorkom dat ik over mijn nek ga. Mijn darmen laten merken dat er nodig wat gereformatteerd moet worden. Rechts van mij woonhuizen, een hondentrimmer, een kapper. Geen horeca, geen winkels hier. Bovengekomen besluit ik door te rollen naar Pernes en daar verder te zoeken naar een winkel. Ik kom er precies rond de middagsrust aan. Alles gesloten, zelfs een colaatje valt er niet te scoren. Mijn voorraad aan zoete broodjes is aardig geslonken, ik overweeg er nog eentje te nemen. Nu met mijn vochtrantsoen is eten een slechte optie, daar krijg ik alleen nog maar meer dorst van. Het bekende dilemma: wachten of doorrijden. Dogmatisch antwoord: doorrijden.

In Mazan volg ik mijn neus en rijd zo de parkeerplaats van de supermarkt op, die in een zijstraatje van de hoofdroute, enigszins bergop ligt verscholen. Mijn vermoeidheid en uitputting zijn zo groot dat ik moeite heb om mijn fiets op slot te zetten. Binnen is het koel, na de hete hel buiten lijkt het hier wel de zuidpool. Ik sla zes flessen water in, Liptonice en wat fruit. Buiten drink ik een liter, de rest gaat in bidons en op de tassen. Nu heb ik rust over mijn proviand, tot morgen kan er gefietst worden. Langzaam begin ik weer wat te genieten, ondanks de hitte, mijn vermoeidheid en het afwisselend stijgen en dalen. Vlak voor Caromb heb ik een goed zicht op de Dame met de Witte Hoed, de Mont Ventoux. Het kriebelt in mijn buik, ze geeft me richting en tegelijkertijd wil ik niet verder fietsen. Daarstraks zag ik haar ook al, wat waziger vanwege de afstand en de heiigheid. En omdat mijn focus lag bij drinken scoren fietste ik onverschrokken verder. Nu niet. Hier voel ik de invloed van deze berg. Alsof ze zeggen wil: probeer het maar niet, je zult falen. Nadat ik de foto heb genomen stap ik weer op, haar scherp in de gaten houdend. Mijn tempo gaat omlaag, nee wordt voorzichtig. Ik tel mijn slagen, bereken mijn meters. Laat ik mij intimideren? Het is al gebeurd, vanochtend bij het uitzetten van de route is haar zaadje van onrust en ongemak al geplant. Ik ben bang voor de berg. Die angst drijft mij nu verder, in trage cadans omhoog naar de pas die ligt tussen Carpentras en Malaucène.

Nog steeds slechte benen. Tegen de hitte valt niet op te drinken, er is amper verkeer. Ik pauzeer nu haast elk kwartier, geen zin meer in eten, toch doe ik het maar. Moe, moe, moe. Ik heb helemaal geen zin meer om te fietsen. En waar rijd ik eigenlijk naar toe? Een of ander dorp waar allemaal gekken zich verzamelen om tegen een onmogelijke berg op te fietsen. Ik haal mijn eerdere bezoek per auto aan deze berg voor mijn geestesoog. Het viel wel mee toen, om naar boven te rijden. Het eerste stuk is even smal en steil, daarna veel bos en pas op het laatste een kale vlakte. Het begin is dus het moeilijkst. Ik prent de herinnering nog een keer vast in mijn geheugen. De komende uren kom ik vaker terug op het beeld dat ik toen had vanuit de auto, comfortabel en rustig omhoog rijdend, af en toe in bewondering wat fietsers passerend. En we hebben nog gepauzeerd, halverwege ergens een grote parkeerplaats. Nog tussen de bomen, met uitzicht juist daarom, want dat doe je als je met de auto bent: je zoekt uitzichtspunten om even een foto te maken.
Een laatste bocht, twee fietsers stappen net weer op vóór mij. Ook zij worstelen door deze hitte. Ik maak nog één stop, een paar kilometer nog naar Malaucène. Hier is het weer drukker, vrijdagmiddag: iedereen wil op tijd thuis zijn, het weekend begint. Zo'n vijfhonderd meter rechte weg stijgend, en dan ben ik over de pas, in een paar lange slingers rijd ik tussen de auto's naar het dorp, stadje zo je wilt. De wind van mijn valsnelheid, zo'n zestig in het uur genoeg om de auto's niet te hoeven laten passeren, koelt me heerlijk af. Ah, dit kan ik wel uren volhouden. Bordjes rechts, camping bergop op zo'n 1600 meter, vandaag maar niet meer. Camping rechtdoor, ik volg de hoofdweg. Terrasjes links rechts, drukte van belang, opstopping, fietsers, racefietsen, blikkerende zonnebrillen, bezwete benen, discofleurige shirts. Gekkenhuis! Binnen een minuut ben ik het dorp weer uit, rotonde, rechtsaf naar Gap. Wat? Naar Gap? Vanaf hier? Mijn hersenen verwerken deze informatie nu niet. Rechtdoor een smaller weggetje omhoog. Balen, alweer klimmen, ik wil niet meer. Voor een laatste keer vandaag hijs ik mij uit het zadel en rijd heel rustig omhoog naar de camping.

De receptie is een caravan, eentje die staat. Binnen een jongetje, mogelijk achtien, erg stoer zakelijk. Ik mag een plek kiezen maar heb eigenlijk niets om uit te kiezen. Of ik gewoon op het veldje wil gaan staan. Ik ben moe, ik wil liggen. Of eerst douchen en eten en dan slapen. Alles wat hij wil, ik vind het best. Ik betaal, wat duurt dit allemaal lang, wisselgeld uit tellen. Nog een keer aanwijzen waar ik naar toe moet. 't Zal wel, mijn chagrijn groeit met de seconde, het is hier binnen ook niet te harden zo warm. En er is niets te drinken, geen bier voorlopig. Dit wordt zometeen afzien bij het tent opzetten. Ik sleur mijn fiets uit het kleine kuiltje naast de caravan en stap op, nog honderd meter en ik ben thuis, voor twee dagen sta ik in Malaucène op de camping. Enkel en alleen om 21 kilometer achterelkaar omhoog te fietsen. Idioot die ik ben. Het veldje is een zandbak met wat bomen eromheen. Geen gras, geen comfort, vooral veel losse stenen. Wanneer ik het weggetje ernaar toe afdaal, blokkeert mijn achterwiel. Hé, ik knijp toch niet in mijn rem? Ik stap af en sleep mijn fiets zo goed en kwaad als het gaat naar een plekje waar ie kan staan. Tassen eraf en standaard eronder.
Om mij heen kijkend besluit ik al snel dat ik vlak naast het begin van het toegangspaadje mijn tent opzet. Dan is de weg naar de wc's en de douches het kortst: ik haat lopen. Mijn fiets gaat op de kop en ik inspecteer even waar het euvel van de vastloper zit. Remmen helemaal los. Hé, een slag in het wiel. Interessant. Spaaksleutel, waar zal ik eens beginnen te draaien? Algauw ontdek ik een gebroken spaak, en daarna nog twee. Hopeloos, dit vraagt iets meer werk. Ik reken op een half uur, het is net na zessen, even rekening houden met boodschappen, gelukkig is het vrijdag en niet zaterdag. Maar morgen wil ik wel de berg op, ik heb geen dag te verspelen. Enigszins onrustig, "tsje!" ga ik op zoek naar de reservespaken. Achterwiel, buitenkant. Dat wil zeggen links, de goede kant, geen last van een pignon die los moet. Alledrie aan de goede kant! Onmogelijk. Ik denk na, terug is een beter woord. Waar vandaag zijn die spaken geknapt? Net bij de receptie? Neuh, onmogelijk dat had ik toch gehoord. Alledrie geknapt bij het kopje, precies in de flens. En dan het besef: die steentjes die onder mijn band "tsjing" wegsprongen. Dat waren geen steentjes.
De band is er al af, prik een kapotte spaak terug door het gat, laat 'm er half uithangen. Pak een nieuwe, stop 'm door het gaatje in de flens, wat buigwerk. Is dit goed zo? Nog nooit eerder gedaan, ach ik zit tenminste niet naast een drukke weg waar de vrachtwagens voorbij razen. Rechtrekken, naar de kapotte spaak en het bijbehorende gat, oude eruit, nippel in het gat, spaak in nippel. Spaak in nippel! Verdomme, ik mis nog een centimeter ofzo. Nog een keer. Nee lukt niet, de fysica van dit ijzer is onverbiddelijk. Ik heb tekorte reserve spaken. Klote! Ik leg de andere vijf ernaast, naast de kapotte. Allemaal tekort. Dit wordt niets. Van kwaadheid verbuig ik er drie. Het helpt niet, nog steeds een slag in mijn wiel. Kijk boos om mij heen. Verman mezelf, met moeite. Daal af naar het plateautje beneden. Man alleen voor gigantische bungalow tent. Knalgele racefiets, super de buper. "Hé, hallo! Alles goed?" "Ja en jij? Lukt het met je fiets?" "Heb jij misschien toevallig per ongeluk wat reservespaken bij je?" Hij knikt al nee voordat ik ben uitgesproken. "Heb je die zelf niet dan?", "Ja ze zijn alleen tekort!" In gedachten vervloek ik het moment dat ik de reservespaken ging halen bij mijn fietsenmaker. Die er even op zijn knieen een spaakje naasthield en dacht dat het wel goed was. Ja ik vervloek mezelf, het adagium 'meten is weten' weer eens niet toegepast. 'The laws of physics' zijn onverbiddelijk. En nog steeds kan ik geen staal met handen rekken.
"Maar er is wel een fietsenmaker in het dorp. Als je opschiet, dan haal je het misschien nog wel, tot zeven uur is ie open." Hoever is dat lopen dan?" Ik voorzie een eindeloze wandeltocht zonder eten en drinken in een verzengende hitte. "Gewoon hier de camping af, het dorp in en dan meteen aan de rechterhand, niet ver." Ja met de auto denk ik, een beetje smachtend naar zijn schoongepoetste bolide kijkend. "Bedankt!" Ik draai me om en loop naar boven. "Succes" klinkt er nog achter me. Ja stik maar met je biertje, je barbeque, je autootje en je helemaal te waus gele renfiets. Vooralsnog heb ik niets te lachen. En het vooruitzicht van lopen met een fietswiel in mijn handen stemt me ook al niet vrolijk. Ik wil fietsen. Neehe, ik wil bad, bier, bunkeren en bed. Verder niets. Zelfs helemaal niet een idee van een berg op fietsen. Voordat ik ga zet ik nog snel even mijn tent op. Kwart over zes, ik wandel. Ik ben gedegradeerd tot een wandelaar, lowlife, dit is helemaal niets. Wandelen! Terwijl ik een fietser ben.

Zonder keus wandel ik, wanneer ik weer fietser wil worden is dit mijn lot. Ja, of ik beslis hier en nu wandelaar te worden. Dat scheelt een hele hoop 'Laws of physics'! En een belachelijke beklimming morgenvroeg. Ik wandel nu al, het is goed zo. Na een paar minuten lopen kom ik tot rust, eindelijk. Ik ben weer op weg, ik heb weer vervoer. Al is het primitiever, 'old skool', ik beweeg en ervaar mijn omgeving weer. Dat wiel in mijn hand? Ach ik zag het liggen, dacht neem het mee, kun je toch niet laten liggen? Zo met drie spaken in 't gebrek. Twintig voor zeven stap ik binnen. Bij de man, dé belangrijkste man van Malaucène, de fietsenmaker. Zijn zoontje verwijst me meteen naar pa. Rechtop, haren kort en zwart met lichte slag, stoppelbaardje. Open gezicht, getekend door tijd en weer. Geen al te grote handen, ranke vingers. Gewassen zouden ze voor die van een pianist door kunnen gaan. Dit is een artiest, geen arbeider. Kort en zakelijk nemen we het euvel door. Voor hem is de zijde van 't gebrek ook bevreemdend. Maar gelukkig, we hoeven niet te pielen met het pignon.
"Morgen klaar", zegt ie terwijl hij al wegloopt. "Ho, wacht even!" Hij draait met schijnbare tegenzin om, "Om zeven uur sluit ik, er zijn anderen die ook wachten. En ik heb straks vrij." Hij is duidelijk, zijn gezicht staat nog steeds heel open, geen verveling, geen boosheid, geeen chagrijn. "Euhh, ik wil morgenvroeg de berg op, daarom kom ik hier. Ik sta op de camping, ben op de fiets met de tent, heb er speciaal een omweg voor gemaakt, hoeveel tijd heb je nodig voor drie spaken? Kan ik je helpen? Mag ik het zelf doen?" Een korte grijns. Dan weer een ernstige blik, even een hand onder kin wrijvend. "Ga maar op het terras zitten, om zeven uur is het klaar." Ik wil hem wel omhelzen, in plaats daarvan heb ik nu een grote grijns, ik geef hem een hand. "Tot zometeen, dank je wel!" Hij duwt me haast de winkel uit. Rusteloos neem ik plaats op het terras. Één biertje, ik geniet maar half, eerst moet het geregeld zijn, ik wil zekerheid. Nog steeds na drie weken ben ik mijn onrust niet kwijt, mijn behoefte aan controle is nog niet gezakt. Vandaag in elk geval niet. Maar ik kan weer lachen, ik zit aan het bier en mijn wiel wordt gemaakt. Er is iemand voor mij aan het werk!
Om vijf voor zeven sta ik alweer in de fietsenzaak. Het is meer een verhuurbedrijf dan een fietsenmaker. Maar juist daarom is hij ook een fietsenmaker. Er zal veel kapot gaan: huurspullen. Mijn wiel staat al klaar naast de toonbank. Elf euro en vijftig cent. Negen spaken, ik neem er zes extra mee, en richten. Geen geld, en geen tijd: binnen een kwartier. Het wiel is weer helemaal rond en recht. Een vakman, ik prijs hem uitgebreid, hij lacht en wijst me naar de kassa, zijn zoontje heeft het bedrag al aangeslagen. Ik wil een bonnetje, als bewijs, voor in Nederland: dat het ook goed en goedkoop kan. In plaats van duur en rommelig. Helemaal gelukkig loop ik de weg terug. Het is nog steeds warm. En ik heb meer dorst vanwege dat ene biertje. Het boeit me niet, ik ga morgen de berg opfietsen! Morgen is V-day: Ventoux-dag, Victory-day!
Wanneer mijn fiets weer rijklaar is doe ik boodschappen, dan volgt de langverwachte douche en daarna een duik in het zwembad met uitzicht op een berg. Na het eten slaap ik onrustig in, morgen om acht uur begint mijn gevecht met de berg. Alleen zal de berg niet terug vechten. Ik vecht morgen met mezelf, de strijd is nu al een beetje begonnen: psychologisch.
![]() | ![]() |



Geen opmerkingen:
Een reactie posten