Dag 18 | Etappe 17 | Arles | 125,7km | 1461,2km
![]() | ![]() |
Ik ben om 7 uur op en voel me erg ok, ook al is de keelpijn nog niet verdwenen. Na de douche terug bij de tent zie ik Sander -de zoon van Sytze- zitten lezen bij de caravan van zijn ouders. Hij is dus de jongeman waarmee ik mijn kampeerplaats zou delen, zijn tent staat echter achter het hegje waar mijn tent voor staat. We maken kennis en hij vertelt dat hij net terug is uit Zuid-Amerika. Zes maanden waarvan hij er twee doorbracht in Quito waar hij met kinderen heeft gewerkt. Hier geniet hij nog even van zijn vrijheid voordat hij komend weekend al naar huis gaat om een baan te zoeken.
Rond half tien ben ik klaar met pakken en na een hartelijk afscheid op weg naar de bakker. Dat is even zoeken, Valreas heeft een onduidelijk centrum. De extra tijd wordt beloond, dit is een top bakker, alleen maar lekkere dingen. Meteen buiten Valreas rijd ik tegen Mr. Ed aan, de franse Edah, beter gesorteerd dan de Lidl maar stukken goedkoper dan de Hyper- Inter- en Supermarchées. Overbeladen sta ik na een kwartier weer buiten, het langslopende winkelpubliek kijkt bedenkelijk wanneer ze mijn fiets en alle etenswaren die ik bij me heb zien: dat gaat nooit passen hoor ik ze denken. Dus wel, het duurt even, maar het lukt net. En wat niet past eet ik meteen maar op, een lange hete dag voor de boeg -minstens tot voorbij Avignon- en een goed gevulde maag aan het begin geeft de hele dag plezier.

In Richerenches stop ik om de route weer op te pikken, door het bezoek aan Mr. Ed heb ik de eerste 10 kilometer over een iets drukkere weg naar hier gereden. Bij het brugje zoek ik rustig naar het juiste vervolg. Een stel overduidelijke hollanders komt uit het dorp aangefietst en vraagt mij de weg naar Avignon via de Groene Weg, ze hebben zelf ook een boekje. Tom & Cora rijden met minimale bepakking, ze hebben een volgwagen bestuurd door een vriendin. Op 1 juli vertrokken ze uit Nederland volbepakt, maar na een week viel dit toch wat tegen. Ze zijn nu heel blij dat ze licht kunnen fietsen, zijn het niet gewend en hebben allebei Nexus naven, zeker bergop met veel bagage een beperking. Tot Suze-la-Rousse rijden we samen op en kletsen wat, ze vertellen over hun project van het bouwen van een Trimaran. Net voor Suze "dat wordt gedomineerd door het robuuste Château Féodal uit de 12e- tot 14e eeuw ... die nog een periode in het bezit van de prinsen van Oranje is geweest" (uit het routeboek), stop ik voor een foto, hapje en drankje. Zij moeten verder, hebben een deadline in Avignon. Even later in Suze kom ik bijna in de verdrukking op het hellinkje naar het centrum. Het syndicaat van wegwerkers is hier neergestreken en de toch al onoverzichtelijke verkeerssituatie is nog verder verrampzaligd (raar woord: wat is hier zalig aan?). Een vrachtwagen dreigt me langs de ruwe kalksteen van de huizen rechts van mij te vermorzelen. Net op tijd krijgt de bestuurder mij in het vizier. Het is wel een mooi plaatsje dat Suze, mooi genoeg om te sterven maar ik dacht toch eerst nog even naar de Middelandse zee te fietsen. De hand van boven schiet mij weer te hulp...
Even later rijd ik voor al het andere verkeer de kruising over en de stoet volgt mij naar de provinciale weg, zo voorop rijdend voel ik me weer wat veiliger. Na een paar minuten over de D94 sla ik linksaf en ben ik van het zware verkeer verlost, ff ontstressen. De echt allerlaatste serieuze klim op weg naar de Zee ligt nu voor me: tot Rochegude en daarna alleen nog maar bergaf naar Sts. Maries! Het routeboek heeft teveel beloofd, het klimmetje is te verwaarlozen. Eenmaal in Rochegude mis ik het omhoog rijden al, ik vermoed lange saaie vlakke rechte kilometers naar zee waarschijnlijk zonder de zo geprezen rugwind maar tegen de Vent du Midi in. Ik stop even om de reeds geschreven prentbriefkaarten te posten, daar rijd ik niet voor om. Het dorp verlatend, haalt een van de jongens die op het pleintje hing (een hangjongere) me in op zijn fiets. Het gaat hier naar beneden, met weinig extra inspanning sluit ik bij hem aan en we beginnen een praatje: waar ik vandaan kom, waarnaar toe en waarom. Hij is sportief en fietst veel hier in de buurt, ze zijn er echt wel: fransen die fietsen. Zelfs buiten die paar prof-wielrenners. Jammer genoeg slaat hij na een paar kilometer al af naar Ste. Cécile, mijn frans is na twee weken weer op sterkte en het is een knul met een gezellige babbel. Het gezelschap had nog wel even mogen duren, ik heb toch adem over nu ik niet meer hoef te klimmen. Meer en meer kom ik in relax modus en vakantiestemming. Alsof ik de zee al kan ruiken, het doel is bijna in zicht. Vandaag nog niet maar mogelijk morgen is het haalbaar. Het gevoel er bijna te zijn geeft vleugels (die rooie stier heb ik nog nooit gedronken) en rust in mijn hoofd: ik ga het echt wel halen.

Vandaag ben ik op weg zonder duidelijk plan tot waar ik wil komen. Campings zijn hier dichtbezaaid, voor het eerst deze reis heb ik ruime keus in stopplaatsen, bijbehorende dagafstand en plekken om boodschappen te doen: steden genoeg. Avignon als overnachtingsplek zit wel in mijn hoofd, al mijd ik liever de drukte van een camping in de grote stad, het gewoel in de stad zelf wil ik nu wel ervaren. De behoefte aan levendigheid om me heen neemt toe naarmate ik langer onderweg ben. Ik voel me niet eenzaam maar vind het soms wel erg stil, zo merkte ik net ook toen ik even op had gefietst met de jonge fransman. Het gemis van gezelschap is het grootst wanneer je het zojuist hebt ervaren.
Vlak voor Orange rijd ik een brede D-weg op die stoffig en druk aandoet, desolaat is misschien een goede omschrijving voor het gevoel dat dit stukje weg mij geeft. Een vaag en onbestemd onprettig gevoel maakt zich van mij meester. Ik verwacht elk moment een gangster met een grote hoed, stoppelbaard en in elke hand een revolver die mij op een paard inhaalt en vervolgens overvalt. Na 500 meter sla ik alweer rechtsaf naar een b-weggetje, het spoor onderdoor en ik ben in de buitenwijken van Orange: portiekflats. De inkom is niet zo majestueus als de naam van de stad doet vermoeden. Na een kwartiertje buitenwijken ben ik weer in Parijs: ik sta vlak voor een Arc de Triomphe.
Het centrum van Orange overvalt me met haar prettige sfeer: hier wil ik wel even blijven. Een paar jaar geleden reed ik hier vlakbij voorbij, een van de weinige steden in de Provence waar ik nog niet eerder geweest ben. Nu zal het ervan komen: ik ga hier in elk geval lunchen. De teller staat nu op 40km, gezien mijn vakantiegevoel en omdat ik niet weet wat ik ga doen wanneer ik Sts. Maries heb bereikt, ben ik nu in relaxmodus. Orange is zelfs mogelijk de stad waar ik vandaag ga overnachten! Ik fiets wat door het centrum, vanwege de middagrust zijn de winkels gesloten, en orienteer me op wat hier te doen is. Dan rijd ik er zomaar tegenaan: het amphitheater. Ik ken deze stad helemaal niet maar algauw begrijp ik dat hier iets te beklimmen valt: er is een rots/berg/heuvel vanwaaruit je goed zicht hebt op het romeinse theater én de Mt. Ventoux. Hmm, dat moet ik even van dichtbij gaan aanschouwen. Ik maak wat omtrekkende bewegingen en vind dan de toegangsweg naar boven. Die is vooral erg steil, ik bedenk nog of dit wel verstandig is met zoveel bagage in deze hitte. Voordat ik weet wat ik doe, zit ik al op de klim naar boven. Ai, dit doet wel een beetje pijn, ik hoop maar dat het niet zo'n hele grote heuvel is.

Het lukt me net om staand op de trappers - en niet lopend naast de fiets - boven te komen. In wat de villawijk van Orange lijkt, typisch dat de gegoede burgerij ook hier op de berg woont, stop ik op een weggetje naast een boomgaard annex grasveld waar wat auto's in stilstaan. De bestuurders eten er in rust en stilte hun middagmaal of lezen een krantje. Verwonderd dat ze niet even uitstappen om de benen te strekken sla ik dit stilleven gade. Ondertussen ben ik zelf wel toe aan een stevige lunch. Ik zoek het park dat hier moet zijn op en fiets half illegaal, het is mij niet helemaal duidelijk of ik hier nu mag fietsen, maar goed ik vertrouw er maar op dat de gendarmes hier ook lunchpauze hebben, naar een plekje met uitzicht over de stad. Een bankje dat half in de schaduw staat komt net vrij. De rots waarop ik mij bevind, torent boven het amphitheater uit. Ik heb goed zicht op alle toeristen die er nu een kijkje nemen. Onderwijl geniet ik van mijn lunch en de rust hier in het park. Helaas is het erg heiig en hoewel mijn uitzicht naar het oosten is, kan ik de contouren van de Mont Ventoux maar vaag onderscheiden, je moet de berg er echt een beetje bijdenken. Op het tablootje zo-even bij het uitzichtspunt was het toch duidelijker. Maar ja da's niet echt. Zucht, moet ik hier toch nog eens terug komen, een half vinkje voor Orange.

Met enige tegenzin breek ik op na een heerlijk uurtje rust. Een middagdutje was er nu ook wel ingegaan. Na nog een rondje door de stad zet ik koers naar de overkant van de Rhône. Eerst maar eens de drukte van net na de lunch trotseren om de stad uit te komen. Bij Caderousse neem ik een kijkje. Dit ommuurd stadje doet me even denken aan Aigues-Mortes, hoewel het me zeker een kwartier kost voordat ik op die naam kom. Natuurlijk pak ik de kaart er niet bij, op de fiets heb ik tijd zat om mijn hersens te pijnigen. Vlak voor Châteauneuf-du-Pape steek ik de rivier voor de tweede keer over deze reis. Het aanbevolen steenslagwegje na de brug laat ik links liggen. Met mijn belading neem ik geen risico's met mijn banden en wielen, dan maar even verder over deze drukke weg. Ruim twee kilometer probeer ik het vrachtverkeer dat mij inhaalt te ontwijken. Elke met ruim tachtig per uur passerende kolos betekent een ruk naar links om vervolgens van de reactie bijna in de berm te belanden. Het is hier heel erg druk en gevaarlijk. Zo hard als ik kan stamp ik op de pedalen, de adrenaline voor mijn vluchtreactie knalt door mijn aderen. Met de teller boven de dertig en mijn handen stevig aan het stuur haast ik mij naar Roquemare. Op de rotonde aldaar kom ik even bij van de dagmerrie van daarnet, gelukkig ben ik nog heel.
Ook vanaf Roquemare blijft het druk maar is de weg niet ingericht voor het overige verkeer om harder dan 60 te rijden. Ik sluit aan achter een landbewerkingsvoertuig dat met een vaartje van dertig in de richting van Avignon sukkelt. Daar wil de inmiddels achter mij ontstane file van auto's ook naartoe. Ik probeer in de luwte van het gevaarte voor mij aan te haken. Er staat hier een stevige zuidenwind en op deze manier kan ik wat tijd en energie besparen. Het tempo ligt op het randje van wat ik nu nog kan halen. Door het volgen van mijn windvanger mis ik de afslag naar een rustiger weg over Ile de la Barthelasse richting Avignon. Min of meer bewust blijf ik aanhaken. Helaas slaat mijn reuze-derny even later af en heb ik de wind weer vol op kop. Ik stop voor een plaspauze en overweeg een weggetje tussendoor te pakken naar Ile de la Barthelasse, ook omdat daar alle campings van Avignon zijn gesitueerd. Het blijft bij een overweging, inmiddels ben ik ver genoeg gevorderd om vandaag nog voorbij Avignon te geraken. Het is net drie uur geweest en de teller staat rond de 70km. In Villeneuve-les-Avignon heb ik nog geen zicht op het Pauselijke Paleis, wat ik wel verwachtte. Hier duurt het maar voordat ik er ben, ongedurig trap ik verder. Dan, de brug opgedraaid, heb ik een geweldige view over Dé Stad, de grootste stad die ik deze reis zal aandoen. Op de brug stop ik voor wat foto's en stap snel weer op, ook gedreven door de ongure type's die ik hier op de brug steeds heen en weer zie lopen.

De brug over, rijd ik zo het bruisende leven van deze mooie stad in. Er is een straattheaterfestival aan de gang en overal staan mensen gegroepeerd te kijken en luisteren naar allerhande voorstellingen. Mijn fiets zet ik bij het Pauselijk onderkomen tegen de muur en ik eet en drink wat terwijl ik geniet van de drukte. Na een "verplicht" sms-je aan het thuisfront, ga ik op zoek naar de Swatch-Store. Helaas vind ik deze niet op de plek die van enkele jaren geleden nog in mijn geheugen zit. Bij het verder zoeken, fiets ik ongemerkt een éénrichtings straat in de verboden richting in. Een gendarme wenkt me naar de kant en dwingt me af te stappen. Verwonderd wacht ik zijn reprimande af. Wanneer die niet komt, kijk ik hem vragend aan: "en nu?". Verder lopen, gebaart hij. Een woordje kan er niet af. Ik zoek de richting van de zuidelijke ring op om weer op de route te geraken. Bij de Porte St. Michel kies ik mijn weg in de richting van het ziekenhuis, hierbij blijf ik het routeboek raadplegen. Het is druk, ik heb het warm en ben al redelijk vermoeid en het is moeilijk orienteren. Steeds bekruipt mij het gevoel dat ik fout rijd, het nadeel van grote steden is dat je er eindeloos kunt dwalen als je de weg niet weet. Wanneer ik het verkeer rondom mij zie uitdunnen en de huizen in bouwvallen veranderen, krijg ik steeds meer het vage vermoeden fout te zijn gereden. Nog een vluchtige blik in het routeboek, maar meer nog goed om mij heen kijkend, stel ik vast dat ik in de suburbs van Avignon ben beland. Vanuit diverse voortuintjes staart men mij enigzins verwonderd aan: wat doet die malloot hier? Auto's op blokken, loslopende honden, knetterende scootertjes en veel tattoos. Het is een stereotiep beeld, maar het klopt aardig. Ik besluit door te rijden en niet op of om te kijken, zeker niet te stoppen. Er hangt hier een grimmige sfeer, ik heb geen uitleg nodig.

Enkele kilometers verder dwingt de loop van de Durance mij naar links. Op een stoffig weggetje halen wat brommerjongens mij in. Me op het kleine kaartje in het routeboek orienterend, kom ik niet verder dan de hoop dat deze weg doorloopt tot aan het ziekenhuis. Mijn gedachten gaan al over verregaande off-road praktijken. Gelukkig rijd ik op een hybride fiets, dus dat moet kunnen (duh). Terugrijden is natuurlijk niet mijn ding, en zeker niet met de gedachte aan nog een keer bidonville doorkruisen. Na vijf onzekere minuten zie ik in de verte een gebouw dat veel weg heeft van een ziekenhuis. Even later sta ik op het talud van de brug over de Durance, ik heb mijn weg weer hervonden. Nog even een stukje "highway from hell" en de omgeving is weer aangenaam landelijk en rustig. In Graveson stop ik niet voor de camping, de drukte van de stad zit nog teveel tussen mijn oren. De behoefte aan "van mij af fietsen" is sterker dan de wens tot uithijgen. In Maillane kruist een dame op een fiets met aanhanger - dat moet toch een hollandse zijn - en hond mijn weg. We groeten elkaar vriendelijk. In het agrarische gebied waar ik nu doorheen fiets controleer ik voortdurend of ik wel op de juiste route zit. Er zijn hier erg veel zijweggetjes in Y splitsing maar in het routeboek staat niet een keer aangegeven welke tak ik moet nemen. Orienterend op het kaartje, waar niet alle splitsingen op staan, en met een virtuele dobbelsteen lukt het me toch goed uit te komen, hoewel ik dat pas constateer wanneer ik St. Etienne- du-Grès bereik. Weer een camping die ik afwijs: Arles komt binnen bereik en dan is het eindpunt morgen zeker in zicht!

Even overweeg ik om de alternatieve route over Fontvieille naar Arles te nemen. Het routeboek verhaalt echter over een drukke boulevard bij het binnenrijden van Arles. Zo om mij heen kijkend zal er ook nog wat klimwerk aan te pas komen, terwijl de standaard route langs de bedding van de Rhône voert. En met de summiere beschrijving in combinatie met mijn frisheidgraad zou het wel eens omrijden kunnen worden. Ik kies voor de standaard en neem de wind op kop op de koop toe. Met het vallen van de avond is dat gelukkig gereduceerd tot een briesje. Het gekozen weggetjes lijkt wel een kerkepad tussen het wuivende graan, met in de verte het riet als herkenbaar kader van de rivier. Af en toe komen wat fietsers mij tegemoet, zo in het avondzonnetje is het prima toeven, de hitte is uit de lucht. Arles binnenrijdend passeer ik de penitentiaire inrichting. Duidelijk herkenbaar aan beton, prikkeldraad en hele kleine raampjes. Daarna door de buitenwijken, nog meer beton. Uitnodigend is het hier niet, jammer van het contrast met het genieten van de rust al rijdend door het veld. Dan sta ik opeens bij de kade van de Rhône, net buiten het centrum van Arles. De warmte die nog in de stad hangt, glijdt als een mantel om mij heen. Op zoek naar het VVV voor informatie over campings, passeer ik de bezienswaardigheden. Na enig zoekwerk sta ik voor een gesloten deur, het is vijf over zeven, ik ben vijf minuten te laat. Ik trek de aandacht van de mevrouw die aan het afsluiten is, onverbiddelijk schudt ze van nee.
Op zoek naar een camping probeer ik het electronisch bord buiten aan de muur. Helaas, de meeste lampjes doen het niet meer. Er staan wat japanners die allemaal een plattegrond hebben. Met handgebaren weet ik duidelijk te maken dat ik even een kaartje wil inkijken. De campings blijken in de richting van Pont de Crau, oostelijk van de stad, te liggen. De weg ernaartoe staat vol met bordjes: camping me-zus-en-me-zo, zoveel kilometer, die kant op. Op zoek naar rust wil ik best wat verder fietsen. De eerste twee campings laat ik voor wat ze zijn. In Pont de Crau check ik een camping die mij niet bevalt. Te weinig beschutting. Met mezelf spreek ik af dat ik om acht uur uiterlijk op een camping moet staan. Ik fiets door over de Route de la Crau in hoop op beter oorden. Elke bocht verder zeg ik in mijzelf: als er na die bocht geen camping is... Een paar bochten verder keer ik om, toch maar de camping in Pont de Crau. Om kwart voor acht sta ik op mijn plek, tijd om de tent op te zetten voor het donker.
Ook na mijn arriveren nog wat mensen op deze camping. Overigens is het hier erg rustig, nog geen 10% van de plaatsen zijn bezet. De grond is droog en stoffig. De foto's bij de receptie getuigend van beter tijden met groen en sappig gras, hebben niets van doen met de troosteloosheid die het campingterrein nu uitstraalt. Wanneer mijn tent staat is er tijd voor een paar biertjes en wat chips bij de bar. Ik ben doodop van de rit van vandaag, in deze hitte is 125km toch wel ver. Het zoeken van de camping heeft me uiteindelijk bijna een uur gekost, tijd waarin ik had moeten rusten. Bij de douchecabines praat ik wat met een jonge fransman. Dat ik gek ben met deze hitte te fietsen. Zelf is ie wandelaar en snapt het effect van beweging om je hoofd leeg te maken. Naast mij is een deense familie de tent aan het opzetten, ze groeten niet, zijn erg op zichzelf. Tijdens een karig maaltje van wat brood, tomaten en vis, maakt een nederlandse even een praatje. Ze zijn met de camper en trekken door Frankrijk. Als ik nog zin heb in koffie dan ben ik welkom, altijd leuk die uitnodigingen, jammer dat ik daar vaak te moe voor ben. Dan zoek ik de bescherming van mijn tent op, het stikt hier van de muggen. Het is binnen heel heet. Nadat ik de buitentent heb verwijderd blijf ik zwaar zwetend nog lang wakker liggen. Gelukkig heb ik wat afleiding van de af en toe voorbij razende treinen.
![]() | ![]() |



1 opmerking:
Hoi Rob, mooi verhaal weer. Niks leukers dan mooie oude stadjes binnenfietsen, je vindt het centrum altijd vanzelf. Er weer uitfietsen is een stuk lastiger... Dat gevoel dat je de zee bijna kunt ruiken is heel herkenbaar, dat hadden wij ook. En dan die eerste blik op de zee, fantastisch! 'Rampzalig' is inderdaad een raar woord, een oxymoron als je het mij vraagt. Maar niet onbruikbaar. Ik vond bijvoorbeeld de beklimming van de Mont Ventoux ramp-zalig! Groet, Arthur
Een reactie posten