maandag 31 juli 2006

Luxemburg Visited

Dag 32  |  Etappe 30  |  Bourscheid-Moulin  |  112,6km  |  2688,0km


etappe_30Vooruit

Met een hongerig gevoel in mijn maag ben ik al vroeg wakker. Niet eens zo heel erg moe na de lange etappe van gisteren heb ik al snel de spirit om weer te pakken voor een volgende etappe. Nog voor achten ben ik weg van deze al te toeristische camping. Nu in de stilte van de ochtend heb ik een nuschter blik. Het is hier inderdaad vol, hutje mutje staat het. Een belgisch aandoend rommeltje van sta-caravans die hun beste tijd hebben gehad, tenten kris kras en overal troep in de vorm van versleten parasols, bakken met onduidelijke bestemming, kinderfietsjes, speelgoed, slecht onderhouden groen en sporen van openbare toiletplaatsen. Een overvol toevluchtsoord voor mensen die gewend zijn in volbepakte steden dicht op elkaar te leven. Plaats ze in een minder tot claustrofobie neigende omgeving en ze weten zich geen raad. Voor mij geldt het omgekeerde. Het is een groot genoegen om nog voor de officiele openingstijd - gisteren werd mij op een zeer gebiedende wijze gemaand dat er voor achten geen vertrek mocht plaatshebben - dit treurig oord te verlaten.

In Volstroff stop ik voor een zoveelste bordjes foto en ben dan op weg naar mijn ontbijt. Het duurt nog tot Distroff eer ik een bakker vind. Niet zomaar één, maar misschien wel de beste die ik op mijn hele reis trof. De sortering is fenomenaal en het ziet er allemaal even lekker uit. En de bediening is uitermate vriendelijk. Tot aan mijn fiets loopt de bakker mee om te helpen mijn spullen in te pakken. Met zeer goede zin rijd ik verder door het laatste stukje Frankrijk van de tocht. De plekken waaraan ik de fijne herinnering van weken geleden weer uit mijn geheugen opduik. Het fietspad langs de Moezel, Cattenom met de kernreactoren, het architectonisch bijzondere benzinestation dat ik op grote afstand passeer, en dat ik herken van fotoboeken. En dan het bloemendorpje met de paarse besteleend. Daarna nog even zoeken naar de juiste weg om de grens over te komen, ook op de heenweg was de route hier wat lastig te volgen. Dan ben ik Frankrijk weer uit, een deel van het vakantiegevoel is weg. Nog niet thuis in Nederland, maar ook niet helemaal meer in den vreemde.

In Rusland

De eerste kilometers in Luxemburg gaan langs industrie. Ik verheug me nu al op het mooie fietspad langs de Alzette rond Luxemburg. Van de zon moet ik het vandaag niet hebben om goed zin te houden. De lucht is grijs, een lichte dreiging van regen. Ietwat vochtig en drukkend weer, niet al te warm. Ik fiets alsof ik nooit anders gedaan heb. Nadenken over hoe het gaat, hoever het nog is, wat er allemaal mis kan gaan: ik heb het losgelaten. Het valt me op hoe makkelijk en snel de terugreis verloopt. Alsof er een tijdsverdichting heeft opgetreden, of de franse kilometers korter zijn geworden. Normaal gesproken zijn ze langer dan elders, en lijkt het ergens naartoe reizen nooit tot het doel te leiden. Nu fiets ik in een flow die past bij de dag, mijn toestand, de omgeving, het weer. Mijn plek op de wereld is hier op deze fiets, traag trappend door het oneindig glooiende landschap.

In Luxemburg wijk ik even van de route af. Het centrum van deze stad bezocht ik niet eerder, ik fietste er alleen langs het station. Ik ga op zoek naar een zaak waar ze swatch horloges verkopen, en ik wil even snuiven aan de sfeer. Na wat heen en weer rijden stop ik bij een uitzichtspunt over de rivierkloof. Busladingen japanners lopen hier becameraad rond en mij in de weg. Mijn Zen-zijn voorkomt dat ik me druk maak. Zittend op een bankje eet ik wat en geniet van mijn innerlijke rust tussen al de drukte. In het centrum rijd ik wat rond en vraag hier en daar. Er is een juwelier die swatches verkoopt. Ik kijk er wat rond maar besluit niets te kopen. Het moment van afleiding was voldoende. Ik ben in Luxemburg geweest en heb gedaan wat bij zo'n stad hoort: shoppen!
Hobbelend over de kasseien die me de stad weer uitvoeren houd ik het tempo laag. In het park laat ik de teugels vieren en met snelle bochten cross ik ruig over het dalende en stijgende fietsparkoers. Rechts van mij herken ik de uitgang van het park, daar waar ik op de heenweg maar met moeite de ingang vond. Snel gooi ik mijn stuur om en zet nog even aan om het hellinkje ernaartoe te nemen. "Tching", klinkt het achter mij. Zonder aarzeling stap ik op het trottoir af om mijn achterwiel te inspecteren op gebroken spaak. Van Taulignan tot hier heb ik het al gered, dat is het goede nieuws. Het betere nieuws is dat ik een ervaren spaakverwisselaar ben en nog reservespaken van juiste lengte heb. Het beste nieuws is dat de spaakbreuk aan de makkelijke kant zit. Alleen maar goed nieuws!

Overdag roken, 's avonds branden

Het kost me een kwartier om de spaak te vervangen. Dan piel ik nog tien minuten om de slag die ontstaan is er zo goed mogelijk uit te draaien. Mijn achterrem zet ik voor de zekerheid wat losser. Na honderd meter fietsen constateer ik dat het niet helemaal goed is gegaan. De zijslag is minimaal, maar het wiel heeft ook een vervelende hoogteslag opgelopen. Na wat heen en weer lopen met de fietsen kan ik het punt markeren. Met de spaaksleutel draai ik de tegenovergestelde zijde wat aan en los ik de plek van de slag. Al bijna een uur ben ik nu bezig met deze ene gebroken spaak. Mijn beslissing is kort en ferm, ik ga doorrijden tot huis met een hoogteslag. Het enige wat er kan gebeuren is dat de slag wat afneemt. De eerste kilometers is het gehobbel uitermate vervelend. Al trappend weet mijn lichaam te adapteren, zoals je ook kunt wennen aan het wonen langs een spoorlijn en je op den duur de nachtelijke goederentrein pas opmerkt als die een dagje overslaat.

Slingerend langs de Alzette vervolg ik mijn weg door het rustiger deel van dit kleine landje. In Ettelbrück pin ik bij een van de vele banken, en wanneer de zon begint te schijnen ziet het dorp er opeens een stuk aangenamer uit dan dat ik het eerder beoordeelde. Net buiten dit stadje met twee gezichten doe ik ruim inkopen bij de beste supermarkt die ik op deze reis aandoe. Dan vervolgt mijn route langs de oevers van de Sûre, naar de groen beboste hellingen van Noord-Luxemburg. Even na Erpeldange haalt een man me in. Hij rijdt op een mountainbike en heeft een kleine rugzak om. Zeer licht bepakt. Rik uit Herk-de-stad in België is bezig met een laatste stukje van de Groene Weg. Hij reed in april al naar het zuiden via St. Hubertus en was nog nieuwsgierig naar de route via Spa. Voor het rondje naar Luxemburg had hij een week uitgetrokken, morgen is zijn laatste dag. Hij weet nog niet hoe hij de ruim 200 kilometer naar huis gaat overbruggen, vannacht zal hij in elk geval slapen in Wiltz. Ik heb de camping in Bourscheid op het oog, die ik op de heenweg vanaf de weg op de hogere oever zag liggen. Een zeer ruime camping met veel gras, aan de oever van de rivier. Het zag er aanlokkelijk uit. Bij het bruggetje naar de Camping "Am Gritt" neem ik afscheid van Rik. We wensen elkaar een goede nacht en vervolg van onze tochten.

Ville fleurie

Het trekkersveldje bevindt zich op een eilandje dat alleen via een smal betonnen bruggetje zonder leuningen is te bereiken. Een loopplankje van een halve meter breed. Om niet heel stoer te water te gaan, stap ik maar even af om mijn fiets naar de overkant te krijgen. Het is rustig op dit eilandje dat door een hoge bomenrij is afgescherm van de drukkere rest van de camping. Voor het sanitair moet ik nu wel een eindje lopen. Dat is het waard om hier te staan, met een uitzicht alsof je midden in de natuur staat. Alleen de geluiden van de caravan, camper en familietent bewoners op de achtergrond verstoren dat beeld. Naast mij twee spichtige kakineuze meisjes in dito outfit. Wanneer ik mijn fiets op een vijftal meters naast hen parkeer kijken ze strak de andere kant op. Ik roep maar eens enthousiast hallo, hun nummerbord verraadt hun afkomst. Er volgt een slap goededag - volmaakt met goois accent - terug. Mijn humeur is onaantastbaar. Vandaag ben ik alweer ruim honder kilometer dichter tot huis genaderd, zonder noemenswaardige inspanning of tegenslag. Alles wat 'misgaat' geeft juist kleur aan de reis. En zo ook de gebroken spaak van vandaag, het is een welkome afwisseling in het dagelijks ritme van fietsen, eten, slapen. Het begon me al op te vallen dat ik de laatste dagen steeds minder en minder tekst voor mijn log had.

Als ik drie van de vier B's heb afgewerkt arriveert rond tienen een gezin op het veldje. Een grote tent, twee kleintjes. Vader, moeder, dochter, zoon. Een standaard gezinnetje? Verre van dat. Een oude volkswagenbus staat aan de andere oever bij het loopplankje. Vader en moeder zien er uit als oude hippies en ook de kinderen lopen rond in kleren die je niet vaak tegenkomt. Ze stralen kalmte en overtuiging uit. We groeten elkaar vriendelijk. Ze blijven wat op afstand, en ook ik voel met niet geroepen een praatje aan te knopen. Uit hun verhalen maak ik op dat ze een lange en vermoeiende rit achter de rug hebben, eten en slapen is ook hun prioriteit. De jongen komt nog wel even bij me langs om te vragen waar ik heen ga en hoe het is om zo'n stuk te fietsen. Hij is fris, open en direct. We praten kort, waarna hij gedecideerd terugkeert naar z'n familie. Met mijn afwas in de hand sta ik even later bij hun kampplek om wat nader kennis te maken. Ze zijn net aan het eten, ook ik houd het kort. Voor elven lig ik in bed, af en toe vallen er wat druppels op het tentdoek. Achter mij ruist de stroomversnelling van de Sûre langs het eilandje, een heerlijk geluid om bij in te slapen.


TerugVooruit

zondag 30 juli 2006

Kolchozen

Dag 31  |  Etappe 29  |  Volstroff  |  162,6km  |  2575,4km


etappe_29Vooruit

Wanneer ik net na zes uur mijn hoofd buiten de tent steek, is het doodstil op het kampterrein. De bivakzak van mijn buurman Roel is nog dicht. We hebben gisteren lang gesproken over de voor- en nadelen van onze tenten, en waar we op uitkwamen is dat hij graag mijn tent zou hebben. Met zijn bijna 2 meter past hij niet languit in de bivakzak. Het erin kruipen was gisteravond een hilarische happening. Net achter hem staat de ruime tent van de Limburgse motorrijder. Een man van mid vijftig, met snor, goed gebruind en een zeer vriendelijke uitstraling. Beetje type Schimanski, maar dan zonder de temperamentvolle woede-uitbarstingen. Zeg maar Zen. Hij leest een heel dik boek. Wanneer ik ernaar vraag, laat hij alleen even de kaft zien en zegt verder niets. Ik lees hardop de titel; "Padwerk" en kijk hem daarbij aan met opgetrokken wenkbrauwen. Hij monstert mij met een brede glimlach, niet van plan ook maar iets te zeggen over het boek. Op mijn wat algemenere vragen over afkomst, plannen, hoe hard zijn motor kan, hoezo hij zo'n asociaal grote tent heeft voor een trekker op de motor - hij zit ook nog eens op een erg gemakkelijke stoel - en wat ie gegeten heeft, komen kortaffe doch vriendelijke antwoorden. Hmm, dat padwerk gaat zeker niet over communiceren vermoed ik.

Burned rubber

Het eerste wat ik aanpak is de achterband van mijn fiets. In minder dan een kwartier ligt de nieuwe erop. Terwijl ik bezig ben mijn handen vuil te maken, schuift de een na de andere trekker aan bij de motormuis die net na mij opstond en inmiddels koffie aan het zetten is. Met z'n vieren - het stel dat gisteren laat nog op de motor arriveerde, de padwerkmotorman en Roel van de bivakzak - slaan ze mijn gesleutel gade. Na mijn herstelwerkzaamheden ga ik even bij ze aan de picknicktafel zitten. Het is erg gezellig hier op de vroege ochtend. Het ouderwetse gevoel van het zondagochtendontbijt, al is het voor zevenen en voelt het ook erg vroeg. Na het douchen pak ik snel in, sla de aangeboden koffie en het gebakken eitje af - moet er niet aan denken dat dat straks met het fietsen omhoog wil komen - en ben op weg: half negen, lekker vroeg nog. Bij de plaatselijke (banket)bakker sla ik de gebruikelijke brandstof in en fiets door de frisse ochtendlucht richting het platte land van Noord Frankrijk. De laatste dagen waren bosrijk, vanaf Charmes tot de grens met Luxemburg zal ik voornamelijk door akkergebied koersen. En de hoofdmoot is hier: graan, graan en nog eens graan. Ik mijmer wat weg naar de beelden die ik nog heb van de heenweg. Een herinnering aan een plezierige tocht, glooiend landschap, lekker weer na een nachtje regen in Lunéville. Mijn gedachten gaan over naar de slaapplaats voor vanavond. Dit is het lege gebied met weinig campings. Op de heenweg haalde ik Château-Chalins niet en bleef ik een nachtje in een Bed & Breakfast. Daar deed ik de belofte op de terugweg er ook te slapen. Ik blader en reken wat en kom uit op ongeveer honderd kilometer tot Brulange. Da's wel te doen, zeker nu ik zo vroeg op pad ben. In Château-Chalins - op zo'n 80 kilometer - wil ik na de verhalen over zigeuners die de camping daar hebben bezet, niet bijzonder graag kamperen. Ruben die ik op mijn heenweg in Darney sprak, vertelde dat hij er niet erg op z'n gemak had geslapen.

Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen wanneer ik verderop een jongen en meisje uit de bocht zie komen, op de fiets, in mijn richting. Even later volgt een vrouw. Ze hebben allemaal bepakking. De kinderen zijn hooguit tien jaar. Ze kijken allebei zeer opgewekt, zelfs zo vroeg op zondagochtend. We groeten elkaar vriendelijk, de vrouw heeft een glimlach die op haar gezicht lijkt gebeiteld. En weer schieten er duizenden vragen door mijn hoofd, net als toen ik uit Sts. Maries vertrok. Een korte ontmoeting, een ervaring, contact in één blik. De komende kilometers heb ik weer iets anders dan het fietsen, de zon, de wind, de hellingen, de pijntjes om mijn hoofd mee bezig te houden. Een luxe vorm van entertainment, ik ben theater en publiek tegelijk. Zolang ik op de fiets zit is er geen aanleiding tot verveling.
In Lunéville stop ik even bij de bakker om bij te tanken, het is zondag, de komende kilometers volgen er alleen nog maar kleine dorpjes. Ik maak me vooral zorgen over de mogelijkheden om aan drinken te komen. Op kraanwater ligt een boycot, ik zal vandaag nog flessenwater moeten vinden. Ik gok op een benzinestation, dat van Lunéville ben ik blijkbaar al gepasseerd. Mogelijk dat ik in Château-Salins kan scoren.

Lunéville, Palais de Versailles

Dorpjes met namen als Einville, Deuxville en Bienville zie ik op de kaart langs mijn route voorbijtrekken. En natuurlijk de vele dorpen met -court (koerd) in de naam. Ville en court, dan iets ervoor, ze houden het hier makkelijk. Ik rijd in het gebied tussen Nancy en Metz. Dit zijn de Kolchozen van Noord-Frankrijk, waar in het begin van de 20ste eeuw fransen met subsidies naar toe gelokt zijn om een landbouwbedrijf te beginnen. Ook toen al was het gebied leeg, niet zo verwonderlijk na twee oorlogen met de buurman. De meeste mensen waren dood - zie Verdun - of weggetrokken naar zonniger oorden. En nu nog is het een verlaten gebied, met veel dorpen die uitgestorven zijn. Het afbladdergehalte van de huizen is hoog, van de heenweg herinner ik mij Aoury: gelijk een spookstad in het Wilde Westen. Desondanks is dit een schitterend landschap, glooiend, zacht, uitnodigend. Vandaag is het niet warm, niet koud. Wat bewolking, misschien wat licht vochtig drukkend, maar niet storend. Een prima zondagje om buiten te zijn, wandelend of fietsend natuurlijk. Het voelt goed vandaag, ik heb er zin an. Dit kon wel eens een flinke etappe worden. Ik geniet van het glooiende, steeds weer op en neer in een gestage cadans. Mijn herinnering aan deze streek van de heenweg is zeer helder, het was in de eerste week waarin ik vrijwel alles wat ik tegenkwam opzoog. Eigenlijk voel ik me hier bijzonder thuis, ik wil ook wel zo'n subsidie!

Tegen lunchtijd rijd ik Château-Salins binnen. Op zoek naar drinkbaar water rijd ik het dorp een keertje rond, dat kost nog geen vijf minuten. Meteen spot ik ook de richting van de camping, daar wil ik dus niet naar toe. Tegenover de kerk is de plaatselijke horeca gelegen, een bar met daarbij een restaurant. Hét restaurant van Château-Salins, het is er bomvol. Serveerster lopen kwiek laverend met volle dienbladen tussen de tafeltjes door. Aan de bar vraag ik of ze flessen water verkopen. Die hebben ze wel, gekoeld zelfs. Omdat ik niet weet of er in dit van God verlaten deel van Frankrijk nog gelegenheid komt tot inkopen vraag ik of ze ook cola heeft. Ik ga voor een maximale bevoorrading, het is ook nog eens zondag, en dat betekent drie volle bidons, 2 flessen water voor en 1 achter en nog een fles cola. Bij elkaar negen liter. Negen kilo extra gewicht dus. Het meeste daarvan zal vandaag nog verdampen als zweet van mijn huid. "Bien chargez" neem ik afscheid, het personeel een beetje meer verward achterlatend dan het al was. In hun ogen is het sowieso al vreemd dat ik niet ga zitten lunchen op het daarvoor bestemde tijdstip. Dat ik dan ga fietsen, zo volbepakt, is hier reden tot veel hoofschuddens en ietwat verbaasde glimlachen.

Na deze proviandering fiets ik met een geruster gevoel verder. Château-Salins afgevinkt, daar hoef ik niet te overnachten, en voldoende vocht om vandaag en de nacht door te komen. Dan hoef ik nu alleen nog maar te fietsen, en mijn proviand te nuttigen. Wat is het leven toch weer heerlijk simpel. In Château-Bréhain stop ik even om te kijken of mijn banaantje er nog ligt. Daar beslis ik ook dat ik niet de iets kortere zelfgemaakt variant over Brulange neem, maar nu de officiële route volg. Dan kan ik het plaatsje Lucy ook aandoen. Het half uur er naartoe fantaseer ik over blonde meisjes in petticoats die de straten van het dorp bevolken wanneer ik er binnenrijd. De werkelijkheid is anders, het is er doodstil op een paar spelende kinderen na, helaas. Het is half drie, de teller staat nu op honderd kilometer. Ik voel me niet alleen heel fit, het blijkt ook uit het gemak waarmee ik vooruit kom.
Vlak voor Servigny staat in de bocht een stel met een tandem. Hij houdt de fiets vast en zij loopt er druk gebarend en pratend omheen. In mijn zenachtige rust van het zo goed op schema liggen, neem ik de tijd om een praatje te maken. Ze hebben pech gehad in Luxemburg, een gebroken velg. Met veel overredingskracht hebben ze de plaatselijke fietsendealer - makers bestaan er bijna niet meer - zo gek gekregen een achterwiel van een complete fiets af te staan. Hier in de bocht staan ze voor de zoveelste keer stil om de spaken aan te draaien. Ik vermoed dat ze door het incident nu last hebben van spaakfetisjisme. Het ziet er ook niet naar uit dat er enige visie is bij het aandraaien van de spaken, ze draait willekeurig wat aan de nippels zowel voor als achter. "If is ain't broken, don't fix it", is hen waarschijnlijk onbekend.

De kleurdoos van moeder natuur

Opgemonterd van het gesprekje vervolg ik mijn weg, noordelijker in de richting van Luxemburg. Tot nu toe heb ik me niet druk gemaakt over waar ik zal slapen. Bettembourg is misschien iets teveel van het goede. Het is nu vier uur, ik heb er honderdtwintig opzitten, tot daar nog 80 kilometer. In het boekje staat dat er bij Metzervisse een camping is, nog zo'n veertig kilometer van hier. Dat moet te doen zijn, en anders zijn er nog een paar B&B's, maar wel van de route af. Als ik niet hoef om te rijden, dan liever niet. Voorbij Courcelles eet ik wat aan het meertje waar ik op de heenweg ook stopte. De zon schijnt weer en ik warm mijn door de wind koudgeblazen lichaam in haar stralen. Het licht filtert zacht door het bladerdek van de bomen die het meertje omzomen. Zou ik hier niet kunnen kamperen? In de verte donkere wolken, het ziet er niet naar uit dat ik het de rest van de dag droog houd. In de klim naar Vry heb ik de wind, die flink is toegenomen, pal op kop. Mijn Zen gevoel van daarstraks vloeit langzaam uit mijn lichaam, in het tempo waarmee ik vooruit kom. Het maakt plaats voor woede en frustratie, het lijkt alsof ik nooit bovenkom. De wind snijd mijn adem af en ik erger mij aan elke auto die me inhaalt bij mijn worsteling naar boven. Zo ik zie heb ik last van een Noordwesten wind. Voorbij Vry gaat de route pal noord, ik verheug me er nu al op straks de wind schuin van voren te hebben en hoop dat de weg ook weer wat glooiender of misschien wel dalend zal zijn.

Met de televisietoren van Luttange als richtpunt, begin ik aan de klim daar naartoe. Met ruim honderveertig kilometer op de teller grijp ik alles in min omgeving aan mij te motiveren, op te peppen. Nu moet het van diep komen. De ervaring van 4 weken fietsen is een grote steun. Dit soort momenten maakte ik al vele malen mee, telkens ben ik weer doorgegaan, waarom zou dat nu niet lukken? In Metzeresche neem ik ruim de tijd om uit te vissen waar de camping van Metzervisse is. Volstroff staat er achter in het boekje. Wegsgewijs heb ik twee opties: linksom of rechtsom. Mijn interne muntje zegt rechtsom de route volgen, ook omdat ik dan door Metzervisse kom dat er op de kaart uitziet als een wat grotere plaats, misschien valt er nog wat te eten. Het is na zessen, ik begin de vermoeidheid van deze lange dag te voelen. Ben wel klaar met fietsen. Al heeft mijn lichaam vandaag nog niet één keer dienst geweigerd, mentaal ben ik op. Ik merk dat het chagrijn toeslaat, ik heb honger, zin in douchen en liggen. Metzervisse blijkt net zo uitgestorven als alle andere plaatsen hier. Met de donderwolken erboven lijkt het helemaal onheilspellend. Het liefst was ik hier nu niet, maar aan een zonnig strand met palmbomen.

Ik scan de straten en huizen af naar levende wezens. In de verte een zwerfhond in de typische halfscheve loophouding, de neus in de wind op zoek naar iets snaaibaars. Een eenzame auto die voor mij op snelheid de bocht neemt, weg van hier. Links een groot huis met een schuur ernaast, een oude man op een bankje de handen leunend op een stok. Ik knik en rijd hem voorbij. Voor mij zie ik alweer het einde van het dorp. Er is hier helemaal niets! De schrik slaat mij om het hart, zou er wel een camping zijn? Wie wil er hier nou kamperen? Het is hier dood, leeg, kaal, stil. Voordat ik de helling naar beneden vervolg gooi ik het stuur om, naar links in de richting van de oude man met zijn stok. Op een meter voor hem houd ik halt. Hij kijkt me even aan en zegt in onverstaanbaar frans iets. Ik roep - vermoed dat ie doof is - "camping" en "Volstroff" naar hem. Hij wijst naar links, de heuvel af. Ik vraag of die camping er echt wel is. Hij knikt, en mompelt iets van "heel groot, heel druk" en kijkt misprijzend. Nog niet zeker over het bestaan van de camping vraag ik het nog maar een keer. Mijn hersenen werken niet meer zo goed, ik interpreteer zijn gezichtsuitdrukking wel en leid daaruit af: "geen camping". Zijn woorden komen maar niet binnen. Hij leunt voorover op zijn stok en komt overeind, neemt een paar passen naar de weg en wenkt mij. Ik schuifel met de fiets tussen mijn benen naar hem toe. Met een van boven naar beneden zwaaiend armgebaar in de richting "heuvel af", wijst hij mij de weg. Die kant op, dan links, heel grote camping, echt waar, vorige week was ie er nog. Nog niet overtuigd, stap ik toch op. Bedank de oude en zoef vertwijfeld de heuvel af richting Volstroff.

Restje bomen

Om daar te komen moet ik ook weer omhoog, onvermijdelijk in dit landschap. Het bordje van het dorp maakt veel goed, deze had ik nog niet: "Volstroff". Het klinkt heerlijk naar Russische Wodka. In het dorp is één weg naar links, die neem ik ook al zie ik nergens een bordje 'camping'. Volgens mijn kaartje ben ik nu terug aan het fietsen naar Metzeresche, waar ik een uur geleden ook was. Een beetje met de moed der wanhoop ploeter ik voort, omhoog de helling op. Nergens ook maar een teken van iets als een camping. Rechts zie ik een watertje, hoge hekken eromheen en een heel grote parkeerplaats. Wat auto's rijden het terrein af. Het lijkt op een recreatiegebied. Zou het dan toch? Maar dan rechts weer bos. De net opgeflakkerde hoop is evenzo snel weer vertrokken. Bij Metzeresche staat in het routeboek een bedje en daarachter 3km, wat zoveel betekent als: Bed & Breakfast op 3 kilometer. Ik fiets in elk geval door tot daar. Dan zie ik rechts vlaggen, een hek openstaan, daarachter een lange brede oprijlaan en wat gebouwtjes. Een groot bord met de naam van het recreatiegebied. Nog geen teken van een camping. Ik fiets naar het gebouw dat eruitziet als receptie. Mooie glazen schuifdeuren, een prachtige entree, goed verzorgde receptie. Ik ben op de juiste plek, de camping ligt iets verderop op het terrein.

Terwijl ik mijn tent opzet begint het te regenen. Haastig klaar ik de klus en rust op mijn slaapzak even uit. Liggend maak ik alvast wat aantekeningen in mijn logboek. "Plop, Schhht", klinkt het tegen mijn tentdoek. Ik schrik. Ik hoor wat kinderen lachen en schreeuwen. Dan weer: "Plop, Schhtt". En het gestuiter van een bal over het gras. Kindervoetjes naast mijn tent, iemand die roept: "Attention, vite!". En nog een keer de bal tegen mijn tent, veel harder nu dan de twee eerdere keren. Ik voel hoe het bloed naar mijn hoofd stijgt, ik ben zwaar geirriteerd. Moe van de lange dag, nog niets gegeten en nu ook al niet de kans krijgend tot rust te komen. Wanneer de bal nog een keer mijn tent raakt, en hoorbaar erover heen stuitert besluit ik in een flits in te grijpen. Voor ik het zelf door heb duik ik voorover in een koprol mijn tent uit en kom op mijn voeten terecht. Meteen sta ik recht overeind. Naar alle kanten stuiven de kinderen weg die zojuist nog met een leuk spelletje bezig waren. Ik pak de pal onder de struik vandaan en houd hem hoog boven mijn hoofd. Op een afstandje van 15 meter staat een groepje dreumessen te wachten op wat volgt. Ik kijk ze bozig aan en roep: "Va voir ta mere!" tegelijkertijd de bal met volle kracht naar ze toe werpend.

Na deze actie grijp ik snel mijn douchetas. Ik ben weer in actie en heb begrepen dat ik iets moet doen aan mijn lamoryante situatie. De vier B's ten uitvoer brengen: Bier, Bad, Bunkeren, Bed. De eerste zal niet gaan, ik heb niet ingekocht vandaag. Bij de tweede B confronteer ik mijzelf met nog een eigenschap waar ik niet Zen van wordt. Er zijn maar twee douches en er staan wel vier mensen te wachten. Als ik ergens een grote hekel aan heb dan is het aan zinloos wachten. Ik maan mezelf toch tot kalmte, ik blijf hier nog even. Twee anderen staan er al wat langer en geven het wachten op. Wanneer eentje de wc induikt, gaan gelijktijdig de twee douchedeuren open, oh heerlijke voorzienigheid. God is zeker een fietser! Mijn avondeten is karig, wat brood een blikje vis, en een tomaat. Ik ben te moe om goed te eten en laat het hierbij. Al vroeg lig ik op mijn slaapzak te doezelen. Na te genieten van de vele kilometers landschap die vandaag aan mij voorbij trekken. In een roes van de kick dat het vandaag allemaal weer gelukt is, val ik met een tevreden glimlach in slaap, morgen weer een dag!

TerugVooruit

zaterdag 29 juli 2006

Donder & Bliksem

Dag 30  |  Etappe 28  |  Charmes  |  115,3km  |  2412,8km


etappe_28Vooruit

Kwart over zes, buiten al gerommel van de allervroegsten. Ik heb goed geslapen, heerlijk uitgerust. Dan ook maar meteen eruit. Ik wil nog een foto maken van Ineke en Harm-Jan en vooral van hun tandem. Als ik dat gedaan heb en gedoucht ben, dan zijn er meer mensen op. Iedereen hier wil vroeg op pad. Ik zwaai de tandemrijders voor zevenen uit. Bij het schoonspoelen van de bidons komt een stel de hunne vullen. Tom rijdt op een ligfiets, Marian op een splinternieuwe Koga, ze heeft een opvallend fel gekleurde rode fietsbroek aan, die bij dit ochtenlicht pijn doet aan mijn ogen. We kletsen wat, ze blijken ook uit Amersfoort te komen. Ze vertrekken en een paar minuten later ben ook ik op pad. Het is nog voor achten als ik ze bij de bakker weer tegenkom. Even wat zoete broodjes inslaan en de etappe voor vandaag begint. Op het drukke kruispunt van Port s/Saône helpen we elkaar oversteken. Dan nemen we afscheid, zij vervolgen zuidwaarts, ik huiswaarts.

De route van vandaag brengt mijn herinnering terug aan de eerste dagen dat ik samen fietste met de vlaamse meisjes. Dat was ongeveer hier. Deze omgeving heb ik bijzonder in mijn geheugen geprent, aangename wegen om te fietsen, veel afwisseling in natuur en niet te lange of steile beklimmingen. Mijn plan is om tot voorbij Darney te fietsen, naar Charmes. Maar als dat niet lukt zou ik het niet erg vinden weer in Darney te staan. De camping beviel me goed. In alle vroegte hier zo rond fietsen is heerlijk. Amper mensen op de weg, de frisheid van de ochtenddauw en de langzaam warmer stralende zon. Was het maar de hele dag zo aangenaam. Vóór Amance rijd ik een groepje oudere jongeren achterop. Ze slapen in hotels en fietsen van Marnay (Besançon) naar Maastricht. We stoppen allemaal voor een bezoekje aan de supermarkt van Amance. Daarna rijd ik weer alleen, ze blijven een tijdje lunchen. Af en toe druppelt het wat, donkere wolken zijn gedurende de dag nooit ver weg. Tot een echt zware regenbui komt het niet.

Dit is ideaal fietsweer en ik schiet vlot op. Het bos bij Darney bevalt me net zo goed als op de heenweg. Tegen het middaguur koop ik wat zoete broodjes in het centrum van het stadje. De lucht is opgewarmd en het fietsen is, ook door wat klimmetjes die zich nu aandienen, een stuk zwaarder. Vermoeidheid is een proces van cummulatie en de optelling is nu wel zo'n beetje klaar. Na Tatignecourt weet ik dat er nog een paar steile klimmetjes volgen, waarvan één over een zeer slecht onderhouden weg, voordat ik Charmes bereik. Voorbij Ahéville heb ik ruim uitzicht over een dal. In de verte hangen pikzwarte donderwolken mij op te wachten. Het liefst zou ik niet doorfietsen, het ziet er onheilspellend uit. Onweer en wind zijn wel de ergste vijanden op de fiets. Met wind valt er nog wel vooruit te komen, zij het langzaam. Onweer blokkeert elke voortgang en stelt geduld, moed en creativiteit ernstig op de proef.

Ochtendfoto, te weinig licht...

Tot Avillers durf ik wel te gaan, de afdaling duurt geen vijf minuten. Het dorp nodigt niet uit tot schuilen, het is klein, de huizen zijn lichtelijk vervallen en de sfeer lijkt op die in een woonwagenkamp. Men kijkt me letterlijk het dorp uit. Avignon ligt nog vers in mijn geheugen. Ook op de heenweg had ik hier dit gevoel, die herinnering versterkt het nu zelfs. Misschien dat ik droog Gircourt kan bereiken om daar voor de laatste serieuze klim een tijdje te schuilen. Voordat ik daar ben begint het echter hard te druppen, de wind neemt toe en het dondert op de heuvel die op mijn route voor mij ligt. Ik stop bij een bruggetje over de Colon op een strook gras aan de kant van de weg. Hoge bomen met ver overhangende takken geven me voldoende bescherming tegen de regenbui die aanstaande is. Ik wacht hier een kwartier totdat blijkt dat de onweersbui deze plek amper schampt. Wanneer de wind weer wat is afgenomen stap ik op.

Eenmaal op de grote weg die me naar Charmes voert zie ik voor mij een onheilspellend schouwspel. Boven de heuvel waar zich de contouren van Charmes aftekenen hangt over de volle breedte van de horizon een donkerzwart wolkendek. In mijn rug blaast een harde door het onweer aangewakkerde wind mij met hoge snelheid in de richting van de striemende regenbui die over de stad neerdaalt. Al een paar minuten laat ik mij voortblazen zonder ook maar een trap te doen. De rust van het platteland van daarnet heeft plaatsgemaakt voor de zaterdagmiddagdrukte van de provinciale weg. Het vrachtverkeer passeert me telkens op minder dan een halve meter afstand met hoge snelheid. De forse wind zorgt voor een enorme zuigging wanneer zo'n kolos mij voorbij raast. Ik heb geen andere keus dan mijn tempo wat op te voeren. Dit over de provinciale weg fietsen blijft zenuwslopend. Als een automatisme gaat je lichaam over op de survival stand: "zorg dat je hier zo snel mogelijk weg bent". Met de wind in de rug, ondanks de licht oplopende weg, haal ik met stevig bijtrappen makkelijk 28km per uur.

Ineens begint mijn fiets te slingeren, een vrachtwagen passeert. Intuïtief een lekke band aanvoelend, stuur ik de brede berm in. Dikke graspollen maken dat ik al hobbelend tot stilstand kom. Uithijgend van inspanning en schrik blijf ik een paar minuten staan. Het verkeer raast links van mij door. Pas nu merk ik hoe druk het werkelijk is. Dan stap ik af en begin de bagage van mijn fiets te halen. De lekke band belemmert me nu om in de onweersbui, die op nog geen kilometer voor mij de stad blank regent, terecht te komen. Weer dank ik God voor deze interventie. Wanneer ik de binnenband achter inspecteer kom ik tot de ontdekking dat het lek aan de velgzijde zit. Dat is vreemd, het duidt op een mogelijk te lange spaak. Natuurlijk zou dat kunnen na het vervangen van een aantal spaken. Het velglint blijkt geheel intact. De enige anomaliteit is een groef in de binnenband die eindigt bij het gat. Ik vermoed dat een steentje de veroorzaker is van het gat. Mogelijk is dat nog een restant van het verwisselen van de binnenband op de Col de la Percee.

In een poging meditatief te blijven om zo mijn ergernis over het langsrazende verkeer te minimaliseren, neem ik ruim de tijd voor het plakken van de band. Ik inspecteer de buitenband, standaard routine bij het plakken, op mogelijke onvolkomenheden en scherpe voorwerpen. Omdat ik me dat al eerder voornam, maar nog steeds niet heb gedaan, inspecteer ik ook even het profiel. Ik schrik heftig van de aanblik van het rubber, of liever gezegd van het volledig ontbreken daarvan, op het loopvlak. De achterband is in het midden over een strook ter breedte van een centimeter, volkomen kaal. Wat een wonder dat ik niet eerder een lekke band heb gehad. En wat een vreemde lekke band dit ook is, de buitenband is namelijk niet doorboord door een scherp voorwerp. Is dit drievoudige voorzienigheid in één? Een Goddelijke hattrick?

Darney: centre du monde

Mijn meditatieve toestand verandert in één klap in totale concentratie. Mijn geestesoog vernauwt zich tot een enkele focus: een nieuwe buitenband vinden. Mijn jachtinstict zwengelt mijn oplossingsmodule aan. In een flits zijn alle systemen erop gericht dit probleem zo snel mogelijk te analyseren, voorwaarden te toetsen of scheppen en in actie te komen. Ik overweeg of het mogelijk is verder te fietsen met de huidige middelen. Dat is alleen mogelijk als de binnenband geplakt is. Ik maak het klusje snel af, leg de banden er weer op. Voordat ik de bagage terugplaats, beslis ik dat als ik tot hier geen lekke band heb gehad door het versleten profiel, de kans dat dat die laatste paar kilometer gebeurt ook klein is, hoewel steeds groter wordt. Het idee om een auto aan te houden om te vragen mij te vervoeren streep ik weg nu de achterband weer opgepompt en ter beschikking staat. Pitsstop teneinde, bagage erop en fietsen.

In Charmes ga ik eerst naar het buro voor informatie voor toeristen. Twee gezellige dametjes willen me best een tijdje aan de praat houden. "Nee, een fietsenmaker hebben we allang niet meer hier in Charmes". Ik zucht eens diep, waar heb ik dat allemaal meer gehoord. Ik vervloek het boekje dat ik bij me heb. Liever weet ik niets vantevoren dan dat ik foutieve informatie heb. "Maar er is van alles leuks te doen hier", ze somt de ene na de andere volkse activiteit op. Bij het kantklossen onderbreek ik haar, "Is er dan een brico hier die mogelijk wat fietsonderdelen heeft?" Ik haat mezelf dat ik in Poligny niet heb toegeslagen toen de banden voor het oprapen lagen. En ik vergeet tegelijkertijd dat daar alleen 26" banden aanwezig waren, dat ik er nog om gevraagd heb en een beetje schaapachtig werd aangekeken, nee hier had ik alleen op kunnen anticiperen door de hele reis vanaf Nederland een reserveband mee te nemen. Of, zoals ik later bedacht, door halverwege de reis voor- en achterband te verwisselen.

Met een vage richtingaanwijzing voor een E. Leclerc supermarkt rijd ik het in mijn hoofd inmiddels tot dorp gebombardeerde stadje uit. In oostelijke richting, verder weg van de camping. Algauw fiets ik over een provinciale weg, het is ver na zessen. De winkel zal vandaag om zeven uur sluiten. Kom ik nog wel op tijd? Is dit wel de goede richting op? Een heuvel, een verlaten zijweg, een riviertje, veel groen langs de weg. Ik geloof er niet meer in dat ik nog een supermarkt tegenkom. Het lijkt erop dat ik de weg richting natuurgebied ben ingeslagen, zo mooi is het hier. Al kan me dat nu helemaal niet boeien. Ik wil een supermarkt! Ik stop om te overwegen terug te gaan. Maar de tijd is beperkt. Was er aan de andere kant van het dorp niet een industrieterrreintje? Zou daar geen brico zijn? Moet ik niet gewoon even terug fietsen? Alle opties die ik kan bedenken passeren de revue. Langzaam verlies ik de grip op wat reeel is. In Amersfoort weet ik de bouwmarkt zo te vinden, zal ik daar maar naar toe fietsen? Klokje: twintig voor zeven. Met een schok ontwaak ik uit mijn vermijdende fantasie. Er is geen keus! Het is nú of niet!

De tegenzin onderdrukkend, vervolg ik de weg naar Nergenshuizen. Ik heb mezelf opdracht gegeven nog even door te fietsen. Met heel hard denken heb ik zojuist vastgesteld dat er maar 1 optie een redelijke succeskans heeft op nieuwe band. Dat is doorfietsen tot winkelsluitingstijd.
Een hellinkje volgt, ik puf het uit. Niet weer omhoog rijden, ik ben zó klaar met fietsen voor vandaag! Ik kruis een voorrangsweg. Een enorme drukte van auto's, vrachtwagens, wandelende mensen, schreeuwende kinderen, winkelkarretjes. Volkomen blind voor mijn omgeving miste ik dat de weg eindigt op de parkeerplaats van de E. Leclerc. In een ruk ben ik terug in de werkelijkheid. Ik ben er! Hoera! Ik kan weer lachen, opgetogen dat het toch is gelukt. Onder verbazende blikken van het toegestroomde winkelpubliek zet ik mijn fiets tegen de pui en snel naar binnen. Waar zijn hier de banden?

Ahéville

M'n spanning loopt op: zouden ze wel 28 inch banden hebben, zouden ze wel 28 inch banden hebben? Ik herhaal het mantra, rennend tussen de schappen door. Ik heb totaal geen oog voor de produkten waar ik normaal ruim de tijd voor neem om het assortiment ervan te keuren. Slechts oog voor 1 kenmerkend detail: zwart rubber. Ik moet zwart rubber hebben!
Ja hier! 26 inch, nog één, 20 inch: kinderfiets, brede band, dikke noppen. Allemaal banden waar ik niets mee kan. Vertwijfeld rukken mijn handen de nutteloze banden van de haak waar ze op hangen. Met een klein laagje nog aanwezig fatsoen zet ik ze voor het schap. De neiging is sterk om ze door het gangpad te gooien. Vijf, zes zeven banden. Het pakketje onbruikbaar groeit met elke band die ik eraf pak. Links en rechts zie ik mensen mij aanstaren. Dat duurt maar even voordat ze demonstratief het gangpad uitlopen. Een stemloze uiting van het franse "laisser faire". Jammer, ik zou wel wat hulp en emotionele steun kunnen gebruiken.

De laatste band gaat van het rek. 26 inch, onbruikbaar. Merde! Demonstratief uit ik mijn frustratie, hoorbaar tot in pad 3. In het rijtje voor me staan ongeveer 20 banden, slordig tegen elkaar aangeleund. De plekken van de mini bandjes overduidelijk omdat de daar voor staande banden schuiner leunen. Ik steek mijn arm door het gat in het midden om in één beweging alle banden weer op de haak te gooien. Te overmoedig, de stapel is te breed en te zwaar om in één keer op te tillen. Met twee handen til ik de eerste helft van de banden op en houd ze even vóór mijn lichaam om ze daarna op de haak te schuiven. Één onwillige band steekt onderaan wat verder uit en lijkt uit het pakketje te vallen, snel knijp ik mijn handen harder bij elkaar. De band blijft er tussen steken. Wanneer dit eerste setje hangt buk ik om de tweede te pakken. Hé, die band van net hangt er nog steeds onder uit. Pas dan valt het kwartje: die band is groter!
In het tweede setje vind ik er nog twee van 28 inch. Ik koop er twee en laat de derde hier, heel sociaal, voor een volgende gelukkige.

TerugVooruit

vrijdag 28 juli 2006

Bikers Reunion

Dag 29  |  Etappe 27  |  Port s/Saône  |  105,5km  |  2297,5km


etappe_27Vooruit

Geïnspireerd door het gesprek met Rolf gisteravond, ben ik ook vandaag vroeg op. Het gaat me steeds makkelijker af. Nu 's ochtends is de vermoeidheid helemaal verdwenen. Fit pak ik snel alles in, Rolf die iets sneller is dan ik groet mij en dan ven ik ook op weg. Eerst naar de plaatselijke super. Die is ruim bemeten en ik vind snel alles wat ik zoek. Dan de bakker, vers gaat altijd boven supermarktbrood. Erg aardig zijn ze hier niet. Onder elkaar is het vriendelijk groeten. Mijn bonjours worden niet beantwoord. Zeker bij de bakker is het erg opvallend hoeveel moeite men doet mij niet aan te kijken, om zo geen praatje te hoeven beginnen. Ik trek me er niets van aan, het is vast niet mijn probleem. Zolang ik mijn brood maar krijg, over een paar minuten ben ik hier weer weg: "alles is steeds in verandering". Later probeer ik nog een analyse los te laten op dit gedrag, dat ik bij bakker, supermarkt, maar ook op straat bemerkte. Overal waar ik kwam op mijn reis in Frankrijk was de meerderheid van de bevolking vriendelijk. Men groette spontaan, of uitte zelfs aanmoedigende kreten. Hier niet. De bevolking is volkomen in zichzelf gekeerd. Op de camping was daar gisteren niets van te merken. Maar het halve uurtje dat ik hier nu rondloop tussen de winkels valt het me overduidelijk op. Of hebben ze collectief een ochtendhumeur?

Mijn vermoeden is dat de historie van dit dorp zo specifiek is dat het de mensen en de gemeenschap gevormd heeft. In het verleden werkte iedereen in of ten behoeve van de zoutfabriek. Uit een welhaast communistisch ideaal van de eigenaar wilde hij ook dat iedereen in een soort commune op het fabrieksterrein, afgesloten van de buitenwereld, leefde. Men is eraan gewend op elkaar aangewezen te zijn en de rest van de wereld buiten te sluiten. Mogelijk is dat gedrag stevig verankerd en ook aan de volgende generaties doorgegeven. Ik ben geen socioloog, maar het is misschien een mooi onderwerp voor een dissertatie: "Vercommunisering ten tijde van de industrialisatie in Frankrijk". Er bestaan vast meer van dit soort leefgemeenschappen. En daarbij is Frankrijk de enige staat waarin het communisme echt werkt maar niemand dat zo benoemd. Dat is het geheim van de fransen: we doen het wel, maar we zeggen het niet.

Over zeer bekende wegen - op de heenweg folterden mijn ingewanden mij hier - bereik ik binnen twee uur Marnay. De lucht is gevuld met donkere wolken, het is niet zo warm als eerder en dat fietst makkelijk. Vanaf hier rijd ik verder in boekje in. Bij het postkantoor rust ik even uit, de zon prikt even tussen de wolken door, en schrijf wat kaartjes. Via een stukje provinciale weg bereik ik Gy. Van daar gaat het verder over kleine binnenweg. In de beklimming naar La Chapelle - St. Quillain staan aan de rechterkant twee fietsers. Ze kijken naar de paarden die hier in de wei staan. Ik stop naast hen en we praten wat. "We zijn al vanaf zes uur aan het fietsen", zegt zij. "Ach, dat is toch niet zover", reageert hij op mijn opmerking dat ik vandaag nog naar Port s/Saône wil fietsen. "Wij doen er minstens 150 per dag, eitje!". Zij is gekleed in kleren van een tiener, hij een beetje bekakt, compleet met bemodderde mocassins. Ik schat ze 50 plus.

Tuibrug. Wat? TUIBRUG!

"We hebben vorig jaar een Alpentour gedaan, heerlijk! Compleet georganiseerd, luxe hotels en bagage vervoerd natuurlijk". "Oh en een paar jaar geleden een Afrika tour, wel wat minder al dat stof, maar toch ruim 150km per dag fietsen!". Hij bazelt maar door over zijn eerdere tochten, alsof ik betalend publiek ben. "Wat doe je eigenlijk in het dagelijks leven?" vraag ik om enigszins de conversatie op gang te krijgen. Ik had ook gewoon door kunnen fietsen, dan stond ie er nu nog te babbelen. "Hij is arts en verdient goed en ik maak zijn geld op", ziet zij nu haar kans schoon ook wat te zeggen. Wanneer er verder geen vraag terug komt, stap ik op voordat hij weer doorgaat met z'n monoloog. "Fijne dag nog!"
Er volgt een klein stukje klim waarin ik makkelijk weer in mijn ritme kom. Dat helpt me om deze ontmoeting snel achter me te laten. Het had niet veel gescheeld of ik was onaardig geworden, wat een blaaskaak.

In Soing lunch ik aan de oever van de Saône, in het gras, net naast de Eiffeltorenreplica. Het broodje, dat een typisch Hollandse broodvorm heeft, kocht ik in Arc-et-Senans. Het smaakt voortreffelijk. Halverwege de lunch komt iemand op een mountainbike de brug over gevlogen, rijdt me voorbij over de 100 meter verderop gelegen weg. Ik kijk hem na en zwaai een keer. Hij stopt en draait om, komt naar me toe gefietst. Zijn handen zijn zwart van vuil en vermoedelijk ook vet. "Hallo", begint ie in het Vlaams. Voor ik ook maar iets terug heb kunnen zeggen, spuwt ie z'n verhaal over mij uit. Dat ie Hugo heet, een kapotte achterband had, meegenomen is door een fransman, het hem uren heeft gekost en dat ie nu nog een behoorlijk stuk moet fietsen. Dat ie dus niet kan komen meelunchen. Hij moet naar Avignon en wil daar over vier dagen zijn. "Dan moet je maar snel doorfietsen", zeg ik met een grote grijns. Ik blijf nog even lunchen en genieten van het zicht op de rivier.

Op de heenweg vloog ik over deze wegen. Van Darney tot Marnay, 120km in 8 uur. Die dag voelde ook geweldig, alsof ik kracht voor tien had. Vandaag is dat anders, ik ben al een eind gevorderd maar voel dat ook in heel mijn lichaam. Weer zo moe als gisteren aan het eind van de dag. Vanaf Rupt ploeter ik verder, wetende dat het nog maar 15 kilometer is. Leeggereden kom ik aan bij de camping, die vlak naast het haventje ligt. Ik had wat moeite om de weg ernaar toe te vinden, waardoor ik in het dorp nog een redelijke klim mocht overbruggen. Het is nu na zessen, al met al nog een lange dag fietsen. De camping is groot en niet al te druk bezet. Ik zet koers richting het grote veld waarop alle trekkers mogen staan. Fietser, wandelaars - die heb ik niet gezien - en ook wel mensen met auto's. Veel naaldbomen in het midden een groter stuk gras, en ook nog afbakening van plekjes. Ik zoek een plekje tussen de vele fietsers uit, niet helemaal zeker wetend of ik nu half op de plek van mijn achterburen sta. Het zal wel goed zijn, ik ben er maar voor een nachtje.

En af en toe eens vlak

Bijzonder, hier tussen de bomen lijkt het alsof je midden in het bos kampeert. De dennen reiken wel tot dertig meter, een imposante aanblik als je uit je tentje kruipt, neem ik alvast een voorschot op mijn ervaring van morgenvroeg. Ik haal mijn spullen van de fiets, leg alles klaar om de tent op te zetten en dan voel ik een eerste druppel. Het laatste uur was er wel dreiging van wat regen, erg donkere wolken, maar steeds weer trok het over. Nu kijk ik eens naar boven en slik even: dit is serieus. Nog een paar druppels en dan regent het echt. Ik pak mijn tas met proviand en verkas naar een droge plek tussen de bomen. Mijn buren verhuizen met kookstel en al naar hun voortent om daar hun maaltijd voor te zetten. Meewarig kijken ze mij aan, "Er is niet genoeg plek voor drie hier", roept hij naar mij. Ik zwaai en lach, houdt de zak chips op waar ik net uit ben begonnen te eten. Ik vind het wel best, dit is vermakelijk. Al die mensen die in hun tentjes kruipen en in ongemakkelijke houding naar buiten zitten te staren tot het ophoudt met regenen. Ik sta hier vorstelijk tussen de reuzen die mij droog houden en geniet met volle teugen van het natuurgeweld. Een beetje leedvermaak heb ik ook wel. Ik heb uitzicht, ruimte, te eten en drinken. Mijn tent zet ik later wel op.

Eigenlijk wil ik nog iets doen aan mijn proviandering. Op mijn omweg naar de camping heb ik wel een supermarkt gezien, maar in de haast de camping te vinden ben ik daar nog niet naar binnen geweest. Wanneer het tegen zeven uur bijna droog is, zet ik snel mijn tent op. Met één leeggemaakte achtertas ga ik op pad om in te kopen. Kwart over zeven, een verlaten parkeerplaats. De laatste medewerker verlaat net het pand:"Ja, we gaan om kwart over zeven dicht". "Wat jammer!" Ik ga niet bij de Pizzeria ernaast zitten, waar ik op het terras een ander stel van de camping zie zitten. Geen zin in Pizza. Ik fiets terug richting camping en blijf even in het water van het haventje staren. Dan ga ik de bar van restaurant 'Le Port' maar eens in en bestel een biertje. Da's in elk geval wat vulling. Eten doe ik straks, er zit nog wel een blikje met het een of ander in mijn tas.

Het duurt even voordat ik de aandacht van het barpersoneel heb. Een man, aan zijn gescheld te horen de baas van het spul, staat een heel jonge serveerster hevig uit te foeteren. Ze heeft een dienblad in haar hand met koude en warme dranken. Een vrouw, aan haar onderdanige houding te zien de echtgenote van de barse baas, loopt zenuwachtig achter de bar heen en weer. Ik zit op de hoek van de bar, naast de bierpomp. Links van mij zitten wat mensen aan een tafeltje, voor de rest is de bar leeg. Ik sla het tafereel gade met een ontspannen glimlach op mijn gezicht. Uit het gesprek leid ik af dat het meisje niets kan doen aan de beschuldigingen die de barbaas uitspreekt. De vrouw mengt zich in de discussie en wil het meisje naar het restaurant sturen. Ik gluur eens om het hoekje door de glazen deur het vrijwel lege restaurant in. Aan een grote tafel kijkt een aantal mensen onze richting op. Het rumoer is opgevallen. Na veel vijven en zessen verdwijnt de barbaar boos naar de keuken. De vrouw lacht verzuchtend en kijkt mijn kant uit terwijl ze haar schouders ophaalt. Ze spreidt haar armen een keer met open handen naar boven gericht. Alsof ze wil zeggen: ik kan er ook niets aandoen. En dat is natuurlijk zo. Het meisje is zojuist door de deur verdwenen.

Verdacht hollands broodje uit Arc-et-Senans

"Doe mij maar een biertje", roep ik lachend, wijzend op de amsteltap, haar kant op. "Welke wil je? Want deze tap is nog niet koud" Ik kijk hoogst verbaasd op: "Nog niet koud? Maar het is van de tap toch?" "Ja, de installatie deed het niet, mijn man heeft 'm net aangesloten. Als je wacht is het straks wel koud. Wil je anders even proberen?" "Doe maar een glas, ik heb nu wel dorst, ik zit hier al een tijdje." Verontschuldigend haalt ze even haar schouders op en wend haar hoofd af. Ze pakt een glas, tapt het vol en houd haar andere hand er even tegenaan. Dan reikt ze mij het glas aan: "Voel maar, da's niet echt koud." "Het maakt me niet uit, ik heb vooral dorst", antwoord ik. Maar ze is al bezig om uit het andere vaatje te tappen, ook al zeg ik dat het echt niet hoeft. Ze zet het glas voor me neer en zegt: "van de zaak, omdat je zolang moest wachten". Ik knipoog maar een keer, heb wel medelijden met 'r. We kletsen wat over het weer, de omgeving. Ik vertel over de supermarkt en dat ik erover verbaasd ben. "Ach, Port s/Saône is maar een heel klein plaatsje. De middenstand is eigenlijk alleen in de zomer een beetje actief, als de haven vol ligt. Verder gebeurt er niet veel." En ook nu is het restaurant leef, maar die opmerking houd ik maar voor me. Ik reken af en waggel naar mijn fiets. Het komt wel aan dat lauwe biertje.

Al bijna half negen, ik heb nog niet gedouched, nog niet gegeten, maar wel al wat biertjes op. Mijn maag rommelt, maar eerst maar eens douchen. Op een bankje tegenover het sanitairgebouw zit een ouder stel in een haast romantische omhelzing samen te genieten van wat fruit, hun toetje. Het zijn de Nederlanders met de tandem. Ik zwaai vriendelijk en zij lachend terug. Na de douche praten we even met elkaar. Harm-Jan en Ineke, hun auto staat ergens in de buurt en ze maken een rondrit met de tandem van een aantal dagen. Ze bieden me van alles aan om te eten, maar ik sla het af. Ik maak klaar wat ik in mijn tas nog vind aan eetbaars en kruip vroeg in bed. Na de regen is het flink afgekoeld, een heerlijk klimaatje om lekker in te slapen!

TerugVooruit

donderdag 27 juli 2006

Lekke Band!

Dag 28  |  Etappe 26  |  Arc-et-Senans  |  102,7km  |  2192,0km


etappe_26Vooruit

Alweer vroeg op, het ritme begint te komen en bestendigt. Ik wil snel weer fietsen, voel me brak na een slechte nacht met veel last van mijn maag en darmen. Gisteren toch weer onverstandig water van de camping in de bidons gedaan. Al eerder nam ik me voor alleen nog flessenwater te gebruiken. De lange tocht van gisteren is behoorlijk in mijn lijf gaan zitten. Ik ben moe, maar dat is al dagen zo. Eigenlijk vanaf het begin van deze tocht: 's ochtends moe. Ik rijd door en heb elke dag weer een moment dat het beter gaat, dat me voortduwt en in beweging houdt. Net als het karretje van een achtbaan dat elke helling op afremt om daarna weer met enthousiasme de diepte in te duiken.

Hoge percentages

Dit deel van de tocht is erg mooi. In mijn herinnering was alleen het stuk langs de Ain helder gebleven, maar het groen, de heuvels en de rust hier zijn zeker zo de moeite waard. Het klimmen neem ik op de koop toe, al zijn er wat zeer steile stukjes bij. Tot Pont-de-Poitte vecht ik tegen mijn protesterende lichaam. Het fietsen gaat maar moeizaam, gelukkig weet ik te genieten van het weer en de omgeving. Zo valt het mee. Wat ik op de heenweg door mijn haast om bij de vlaamse dames aan te sluiten naliet, doe ik nu wel. Ik bezoek de kookpotten van de reuzen in de Ain, vlak bij de brug van Poitte. Gigantische 'kuilen' zijn uitgesleten in de rotsige bodem van de rivier. Je kunt van rotsplateau naar rotsplateau springen of je laten zakken in de diverse gaten. Met het golfstromend water lijkt het dan net of je zit te koken. De rivier is hier heel erg breed, aan de westzijde de kookpotten en oostelijk de vaargeul. Behoorlijk wat mensen zoeken de verkoeling van het water, het is een broeierig hete dag aan het worden.

Ik lunch aan de oever in de schaduw. Geen puf en noodzaak om verkoeling te zoeken, m'n zwembroek ergens onder in een tas. En het programma van vandaag schrijft fietsen voor. Nog 10 dagen nog 1000 kilometer, geen tijd om te lanterfanten dus. Een vlaams stel op de fiets is inmiddels wel omgekleed en klaar voor een frisse duik. Ik knoop een praatje aan, er komt geen reactie. Ze bevestigen het beeld van de schuchtere vlaming. Zolang ze maar blijven verkondigen dat wij 'hollanders' zoveel makkelijker contact maken en zij daarin berusten, zal het niet veranderen. Iets langer dan gepland, om mijn gemis van een zwempartijtje enigszins te vergoeden met wat meer rusttijd, breek ik na 3 kwartier op. Ik heb maar weinig zin om te fietsen in deze warmte. Voor me op de route ligt de klim die uiteindelijk leidt naar Plasne. En aan deze kant is dat een echte, met haarspeldbochten! Daar verheug ik me nu al op...

Kookpotten van de Reuzen

Vlak voor Chatillon begint de weg heftig te stijgen en dat is nog maar het begin. Het kost me een half uur om boven te komen. In de laatste paar bochten heb ik het ritme te pakken en gaat het vanzelf. Nu zou ik nog wel een tijdje door willen klimmen. Met de bolling van het wegdek naar de top voor me, hoor ik opeens achter me een hard sissend geluid. Ik vermoed het ergste en trap mezelf en de fiets staand naar de top, half slingerend door de zachte achterband bereik ik het bordje met hoogteaanduiding. Mijn fiets gooi ik ertegen aan en meteen begin ik de bagage eraf te halen. Tussendoor werp ik een blik op de band, inderdaad helemaal plat. In hoog tempo, voorzover dat gaat met zo'n delicate operatie als het vervangen van een band, werk ik door. Juist: de aansluiting van het ventiel is gescheurd. Vermoedelijk van de warmte en de druk bij het bergop rijden. Na het uiterst vervelende en inspannende opppompen zit de bagage er in no time weer op. Nog even een foto voor de bewijslast en ik ben weer onderweg. Drie kwartier oponthoud, alleen de bagage erop kost me al een kwartier.

ff plakken

Vanaf hier is de zwaartekracht me gunstig gezind, ik fiets op hoogte tot Plasne en heb dan de afdaling van de vreselijke beklimming op de heenweg. Nog geen vijf minuten van de top naar het binnenrijden van Poligny langs het ziekenhuis. De VVV vertelt me dat de fietsenmaker al jaren geleden gestopt is. De info in het boekje kan ik er echt uitscheuren. Bij de bricomarche stop ik dan maar om wat fietsspullen te scoren. Helaas hebben ze geen 28" buitenband, ik had er nu graag een in reserve gehad. De achterband begint redelijk op te raken. Ik koop wel een binnenband, want die heb ik net vervangen, en een slangetje om op mijn pomp te zetten. Nog steeds ben ik niet tevreden over het gemak van oppompen met de mini handpomp. Bij terugkomst maar eens op zoek naar iets dat beter werkt. Er volgen wat lichte hellinkjes en tegen zevenen rijd ik Arc-et-Senans binnen. Het afgelopen uur vooral de wind trotserend, die sterk is toegenomen. Het kost me even wat tijd, omrijden en vloeken voordat ik de weg naar de erg afgelegen camping vind. Het is er rustig, schoon en de mevrouw van de gemeente is erg aardig. Niets te drinken en eten, helaas. Ik ben aangewezen op wat ik nog heb, totaal geen zin om het dorp nog in te rijden. Zelfvoorzienend als altijd had ik daar in Poligny al rekening mee gehouden.

Negen uur, klaar met alle noodzakelijke dingen: de drie B's gedaan. Moe genoeg om de vierde ook ten uitvoer gaan brengen. Licht vertwijfeld of ik morgen wel fit genoeg zal zijn om weer verder te fietsen. Mijn tent staat op een gedeeld plekje. Mijn buurman komt hoorbaar uit Amsterdam, maar blijkt in Purmerend te wonen. Nu ja, dat is eigenlijk ook Amsterdam. Hij rijdt op een RIH en heeft een prachtige middenbok. Trots vertelt hij daarover, en houdt dan ook niet meer op. Gelukkig heeft ie ook wat te drinken. Tot twaalf uur staan we in het donker te oh'n, zeer ontspannen. Ik kom lekker bij van een zware en lange dag en hoef daar niet veel voor te doen. Rolf spreekt makkelijk ook over zijn angsten, en ik hoor een heel andere man dan ik zie. Uitstraling stoer, druk, beetje Pierre Wind. Maar in wat ie zegt heel gevoelig. Zijn dagindeling is voor mij een eyeopener. Hij houdt een volwaardige siesta, compleet met een uurtje of twee slapen. Ik snap wel dat hij nu nog voluit staat te babbelen. Mijn slaap wint het van mijn gaap en ik kruip in mijn slaapzak. Ik ben in het dorp van de zoutfabriek!

TerugVooruit

woensdag 26 juli 2006

Au Bord Du Lac

Dag 27  |  Etappe 25  |  Condes  |  132,7km  |  2089,3km


etappe_25Vooruit

De korte nacht heeft me scherp gemaakt om snel in te pakken en weg te zijn. Om kwart voor zeven op, om half negen op de fiets. M'n plan is om vandaag minstens 100 kilometer te rijden en als mogelijk meer. In de route zit een lang stuk zonder hellingen, en ook langs de Ain valt het verval mee. Poncin of zelfs Thoirette zou mogelijk zijn. Vaag proef ik dat mijn gedachten reiken naar Condes, dat houd ik bewust buiten mijn bewustzijn. Die afstand voelt als overmoedig. Met Marc de schrijver, die ik gisteren hier op de camping weer trof, rijd ik op tot Artas. Op de eerste beklimming geeft hij al stevig gas. "Pfft man, ik heb nog niet ontbeten!", roep ik hem na. Het klimmetje voorbij sluit ik makkelijk aan, in Artas slaat hij boven in het dorp af om de bakker te zoeken. Ik rijd door, haast intuitief aanvoelend dat ik er zo langs zal fietsen. Wanneer ik buiten stap met mijn ontbijt komt Marc net hijgend aangereden. Mijn eerdere gedachten hem te vragen een eind samen te fietsen laat ik varen. Hij vertelt me nog dat hij weinig fiducie heeft in het slagen van zijn plan in 14 dagen naar Maatricht te rijden. Zijn verhaal over de afgelopen dagen aanhorend merk ik bij mijzelf mijn eigen ervaring op, en de herinnering aan mijn worsteling die hij nu ook ervaart: te graag willen en 's ochtends alle energie verspelen zodat je op het eind van de dag uitgeput aankomt.

Watertoren in St. Maurice-de-Rémens.

Later in Four doe ik nog wat inkopen en rijdt Marc me weer voorbij. Verderop in Frontonas zie ik zijn fiets staan bij een terras, ik overweeg niet om te stoppen. In Blyes stop ik bij de in een romantisch gebouw gevestigde epicerie voor wat yoghurt en frisdrank. Op de heenweg zag ik de mysterieuze fietser hier lunchen. Bij de watertoren van Maurice de Remens rust ik wat uit. Wanneer ik opstap vermoed ik dat ik in de verte achter mij Marc zie aankomen, ik wacht niet, mijn doel is ver en ik heb weinig 'spare time'. Mijn focus ligt bij het terugfietsen en dat voelt heel prettig, beslissingen als deze: "wacht ik wel of niet op Marc" zijn in een flits genomen. Mijn terugweg is MIJN terugweg. Vanaf nu stop ik nog maar weinig. Bij Pont d'Ain ligt het gemiddelde boven de 18, wat voor mij hoog is voor fietsen in Frankrijk. Maar hier mogelijk vanwege de vele vlakke stukken.

Centre de production nucléaire du Bugey

Voorbij Poncin volgt de mooie groene schaduwrijke en golvende route langs de Ain. Ik overweeg niet eens om hier te kamperen hoewel het stadje gezellig druk aandoet. Meer dan op de heenweg toen de vakantie in Frankrijk nog niet echt op gang was gekomen. Zo nu en dan vallen er een paar minuten wat druppels. De pauze's om mijn regenjas aan of uit te doen zijn welkome rustmomentjes. De vermoeidheid neemt nu snel toe en in gedachten zet ik mijn tent alweer in Thoirette op. Met als voordeel de huit á huit die ruim gesorteerd is. In het verder gelegen Condes is "niks niet te kopen niet".
Net als de afgelopen dagen kom ik ook nu weer veel 'tegenrijders' tegen. Met en met groet ik steeds minder enthousiast: dit is nu mijn tocht, al die anderen doen er niet meer toe. Om 5 uur bereik ik Thoirette. Eindelijk, want de laatste kilometers leken steeds minder op te schieten. Een ervaring die langzaam een verklaring begint te krijgen en volgens mij te maken heeft met de starttijd, de afgelegde weg, en de gemiddelde snelheid. De formule zou dan luiden: Ervaring tempo = snelheid / ((gemiddelde snelheid * (tijdstip - starttijd) * afgelegde weg)). En dan moet daar nog een factor bij zodat je op een getal tussen 1 en 10 uitkomt, maar voorlopig is dit een bruikbare grove benadering.

Ain, Spoorbrug bij Bolozon

Ik doe wat inkopen nu ik er toch ben en koop zo wat tijd om mijn beslissing over doorrijden uit te stellen. Het is nog een uur naar Condes en ik ben al redelijk leeggereden. Het is drukkend warm met een van onweer bezwangerde lucht, de buitjes van het afgelopen uur hebben daar geen verandering in gebracht. Omdat het op mijn lijstje staat van zeer kampeerbare plek, het aan het water ligt, klein en pittoresk en vooral met een geweldig uitzicht op de tegenovergelegen kliffen, ga ik toch voor Condes. En natuurlijk omdat ik geen zin heb om weer in Thoirette te staan, want zo leuk was het hier nu ook weer niet. Het tijdstip maakt de laatste kilometers nog zeer aangenaam, zo tussen zes en zeven daalt een kalme rust over de natuur waarin het heerlijk pedaleren is. In Condes duurt het even voordat ik de campingbeheerdster te pakken heb. Eindelijk geïnstalleerd ben ik te moe om de 50 meter naar het meer te overbruggen. Alleen al de optie hebben om het doen is een voldoende bevrediging van de keuze hier te zijn: ik heb de vrijheid om het te doen, maar hoef daar geen gebruik van te maken.

Ain voor Condes

Ik luier wat bij mijn tent en aanschouw het campingleven om mij heen. Het oudere paar met caravan dat druk bezig is in te pakken om morgen in alle vroegte huiswaarts te keren. Mijn directe buren, waarvan de man voortdurend in een mobiel telefoongesprek is verwikkeld, eerst met zijn dochter, vervolgens met een klant en dan weer met een opdrachtgever. Z'n vrouw doet de afwas en rommelt wat in de caravan. En achter mij de twee duitse vrouwen met kinderen. Ze staan dicht bij elkaar met ieder een eigen tent. Ze hebben beide een auto. Ze roken allebei als ketters en drinken daarbij behoorlijk. En heel stereotypisch snauwen ze voortdurend op de kinderen. In het duits klinkt dat meteen een stuk onaangenamer dan in welke taal dan ook. De stress van het alleen zorgen voor de kinderen staat bij hen op gespannen voet met het willen genieten van de vakantie. Ik voel me gezegend en duik met een bevrijd gevoel mijn tent in: goddelijk slapen aan de oever van de Ain! De enige vrees is dat vannacht de dam breekt...

Reliëffoto Camping Condes

Camping Condes

TerugVooruit

dinsdag 25 juli 2006

Kies Voor Fiets

Dag 26  |  Etappe 24  |  Meyrieu  |  49,1km  |  1956,6km


etappe_24Vooruit

Nieuwsgierig gemaakt door Arthur ga ik het dorp in om toch ook maar eens dat Paleis van die Postbode te bezoeken. Ik ben te vroeg, het gaat pas om half twee weer open. Dan maar een drankje in het cafeetje om even te wachten. Uiteindelijk in het museum schiet ik wat foto's, verwonder me over sommige bouwmethoden en ben dan - gaap - weer weg. Met dit weer een buiten museum is niet helemaal waar ik op zit te wachten. En daarbij is het al wat later op de dag, heb ik nog geen meter in de 'juiste' richting gefietst, en ook nog wat last van de wijnconsumptie van gisteravond. Zonder koeling en brandstof niet fietsen is het devies, dus zet ik eerst maar koers naar de lokale supermarkt. Die gaat om drie uur open, nog drie kwartier stuk te slaan. Ik heb echt helemaal niets meer aan proviand, "eerst op weg naar Grand Serre en dan maar zien" raad ik mezelf af. Bij het barretje waar ik eerder al zat wacht ik geduldig tot even voor drieën.

Toespreken

Het lijkt erop dat deze dag helemaal naar de maan is voor het fietsen, ik heb geen idee waar ik vandaag ga belanden. En dan knaagt er nog een opdracht aan me waar ik eigenlijk geen zin in heb, maar het alternatief lonkt me ook niet. Het is nu dinsdag, over 6 dagen verwacht men mij op mijn werk. Van hier naar huis zijn meer dan 1100km. Met ongeveer 200 per dag ga ik op tijd zijn, als ik door blijf fietsen. En dat laatste staat wel vast, ik wil doorfietsen. Dan heb ik een week langer nodig. Christel wreef het nog even in vlak voor hun vertrek: "doe de groeten aan Jan!" Jan is mijn leidinggevende, en ik zie er een beetje tegenop hem te vragen nog een week langer weg te blijven. De oorspronkelijke 5 weken leken niet zo goed te vallen. Ik heb het moment van bellen al uitgesteld tot nu. Dat ga ik nog even doorzetten tot ik in elk geval een warmgefietst en een zekerder gevoel over mijn eigen enthousiasme voor het fietsen heb. Mezelf in de juiste sfeer en stemming brengen zeg maar. Want nu met die kater en het gestresste gevoel van het overal op wachten, zie ik mezelf vooral de boodschap geven: verlos me van deze kwelling. En dan - wanneer Jan nee zou zeggen - volgt er een andere kwelling: de trein.

Palais Ideal

De trein is, zo heb ik al fietsende bij mijzelf ontdekt, een grotere angstgegner dan bijvoorbeeld 1200km fietsen. Ik wil helemaal niet met de trein terug. Niet omdat het een beter gevoel geeft om ook terug te fietsen. Of omdat de terugweg heel anders is dan de heenweg - wat overigens wel gewoon waar is. Of omdat ik een hekel aan de trein zou hebben. Ik ga bij voorkeur niet met de trein omdat ik opzie tegen het gedoe van het slepen met mijn fiets in mijn eentje. En het risico van bagage, of erger de fiets, "verliezen". In mijn hoofd hebben zich inmiddels angstige visioenen gevormd van heel hoge steile trappen waar ik mijn fiets tegen op moet slepen. Met bagage en al een gewicht van over de 50 kilogram. Bijvoorbeeld op het TGV station in Avignon.

En de verhalen heb ik al horen bevestigen en zijn vaster in mijn hoofd komen te zitten. Een stel was bezig met het verplaatsen van fietsen en bagage van beneden de trap naar boven om de TGV naar Parijs te kunnen nemen. En met z'n tweeën kun je wel beide plekken bewaken, maar dan kan er niemand meer sjouwen. Terwijl de één bezig was met tent en voortassen sjouwen en de ander daar met de rest van bagage al stond te wachten, werden de nog achtergebleven tassen van de wachtende fiets gehaald.
Maar mijn grootste angst betreft wel het ritueel van instappen in de trein. Staand op het perron, pogend de fiets op het een meter hoger gelegen balkon van de trein te hijsen. En terwijl ik daarmee bezig ben, bezweet tot in al mijn poriën, hoor ik de conducteur fluiten voor vertrek. Of erger nog: dat de trein wegrijdt met mijn fiets erin terwijl ik buiten nog met mijn bagage sta te hannesen. Nee ik heb het niet op de combinatie van trein en fiets met bagage.

Eens de boom van leven

Zo bel ik rond half vijf in Thodure met mijn werk. Verdorie, toch nog contact terwijl ik op vakantie ben. Ik heb maar weinig woorden nodig voordat Jan akkoord gaat. Onder de voorwaarde dat ik die week erop ook echt aanwezig ben. Opgelucht dat dat achter de rug is, begin ik meteen te rekenen en kom erop uit dat ik nu iets meer dan 100km per dag moet rijden. Vandaag schiet ik niet echt meer op, Meyrieu is wel te halen. En dan is het nog 1150km. Dus met de vrijheid die ik in tijd verwerf, creeer ik meteen een verplichting in snelheid. Maar mijn extra verworven vrijheid geeft me vleugels en vol goede moed fiets ik verder. Langs plekken waar ik eerder was en hier herken ik veel, de meertjes, de weg waar ik fout reed. He die dode boom is me op de heenweg niet opgevallen. Ik heb rust met mijn beslissing en nu ook rust met het fietsen en de behaalde afstand van vandaag. Oh ja ik ga naar Meyrieu, waar de douches zo'n fenomenaal lekker harde straal hebben.

Le lac

Maar niets is wat het was. De douches zijn niet veranderd, mijn ervaring van deze camping wel. Het is druk, veel drukker dan eerder. De camping is overspoeld door franse gezinnen van het type wij willen vermaakt worden. Kinderen die voortdurend voetballend over mijn kampplaatsje rennen, struikelen over mijn scheerlijntje, de bal op, tegen en in mijn tent. Als ik vraag of ze een eindje verder willen spelen krijg ik een grote mond terug. Vanaf een afstand kijkt een van de ouders in een groepje me meesmuilend vies aan. Ik probeer me af te sluiten van de negatieve stroom die op me afkomt. Daar krijg ik hulp bij uit onverwachte hoek. God is er altijd als ie het meest nodig is, de zoveelste bevestiging in ontvangen van dit soort ervaringen. Een stel uit Oss komt een praatje maken. Levensgenieters met een diep motto. Het gesprek gaat al gauw over de juiste dingen doen, genieten en tot rust komen. Wat volgens hen ook inhoud dat je moet doen wat bij jou past: "jouw ding doen". Ze tillen me even op uit de verstorende realiteit van anderen en ik heb de rest van de avond minder last van kinderen die over mijn tent heen fietsen. Door het gesprekje is mijn eettijd wat verlaat, dat merk ik aan de hypo die mijn maag doet samenknijpen en mede debet is aan mijn gevoelige humeur. Tegen twaalven lig ik op mijn slaapzak, het is te warm om er al in te gaan. Daar komt bij dat ik onrustig en opgewonden ben, ik heb een nieuw doel en wil morgen vroeg op pad: kilometers maken. Gelukkig mag ik weer fietsen morgen!

TerugVooruit