zondag 23 juli 2006

Tegenwind

Dag 24  |  Etappe 22  |  Saou  |  81,3km  |  1809,5km


etappe_22Vooruit

Alweer heb ik het grote plezier van een irritant buurjongetje op de camping. In Graveson waren het vooral de ouders die het probleem veroorzaakten door op alles wat het kind deed commentaar te leveren. Hier zeggen de ouders wel van alles, maar doen dat strategische vanuit de tent, terwijl het kind met de aandacht-tekort-stoornis 20 meter verderop de voetbal over mijn tent heen probeert te jagen. Kijk en daar kan ik dus niet tegen, en al helemaal niet 's ochtends. In mijn slechtste duits, ik heb geen zin om moeite te doen en ik heb nog niet ontbeten. Dat hij auf moet horen met die bal bij mijn zelt te fussballen, en wel meteen. Hij schuift vijf meter op en schiet gewoon wat harder. Ettertje. We zijn gelukkig in Frankrijk, als ik wil mag ik 'm een mep verkopen. De ouders heb ik na 2 opmerkingen niet meer gehoord. Ze pakken hun auto in en kijken steeds bewust niet naar het jongetje. Ik snap dat aandacht tekort wel.

Om half negen kruip ik uit de tent, ik ben helemaal gesloopt. Van dat kleine stukje fietsen gisteren. Mijn tent inpakkend ben ik heel voorzichtig met de voorste, de langste, stok. Vrijdag net na het opzetten bemerkte ik iets vreemds, anders dan anders. Na drie weken wordt je materiaal onderdeel van jezelf. Zo weinig dat je met je meeneemt, het overzicht is snel gemaakt, zeker van de zaken die je dagelijks ziet. En in het onderste deel van de stok zat een scheurtje. Ja eigenlijk moet ik dat nu even uit tekenen, á la kees van kooten in zijn boekjes met die aandoenlijke tekeningetjes, zo duidelijk van iemand die niet kan tekenen. Maar goed, er zat een haarscheurtje in een stokdeel, omdat een busje in het ene deel te ver naar binnen geschoven was, het verbindend busje stak dus te kort in het ander stokdeel, dat daardoor uitscheurde. En dan heeft elke rechtgeaarde - met dank aan Freek-Willem-de-echte-doe-hetzelvert-ken-niet... - verwegfietser natuurlijk zoiets als "tie-wraps" bij zich. Wat? Rolbindertjes. Van die dingen van plastic die werken als een clickfonds, het bereikte spanningsnivo is voor jou, totdat er overspanning optreedt, want dan knapt de boel. En ik trek op hoop van zegen - met dank aan Kniertje - het kabelbindertje zo strak mogelijk om het half uitgescheurde aluminimum tentstokje. P-repaired ass I am! Juist ja, ik heb het al gemaakt voordat ik thuis vertrokken ben, vóórdat het euvel ontstond! Char: eat your heart out!

Routeschema etappe 22

Op pad, weg van de verschrikkelijke berg. Na de rotonde nog even een moment van overpeinzing: wil ik naar Gap? Nee, ik ga terug, back on track, terug naar de route die in het boekje staat. Al was het alleen maar om te zien in hoeverre de terugweg verschilt van de heenweg. In zwaarte, uitzicht en verlangen. Want waar gaat deze reis nu eigenlijk over? Tot Sts. Maries was het duidelijk: de zee halen was het ultieme doel. En toen ik eenmaal de zee had bereikt stootte ik mijn hoofd, ernstig. Daarna was het kiezen: ga ik door, dat wil zeggen verder? Of kies ik iets anders, veiligers, langs de randen van de weg terug? Dat laatste dus. En nu ik ook dat heb afgevinkt, nu rest mij alleen de weg terug. Of een andere keus. Nou na deze rotonde weet ik precies waar mijn plaats is. Niet op de flanken van de Mont Ventoux, en al helemaal niet op weg naar Gap, of erger: Briançon en verder. De Alpen met deze bepakking? Nu nog niet. Eerste dingen eerst: naar huis dus! Recupereren, herstellen. Niet zozeer fysiek, maar zeker wel mentaal. Wat deze reis mij heeft gebracht en ook met mij heeft gedaan. Dat moet ik eerst maar eens gaan verwerken.

De brede weg leidt mij van Malaucène naar Vaison-la-Romaine. Omdat het zondag is, is het relatief rustig, nee zelfs absoluut. Van tevoren was ik een weinig angstig over de drukte van het verkeer, maar vandaag valt dat alleszins mee. Ik rijd natuurlijk nog niet volgens het routeschema van mijn boekjes en deze door mij zelf uitgestippelde route begint op een gele D-weg, drukker dan de witte weggetjes op de kaart, die in het boekje voornamelijk gevolgd worden. En dat is uitermate logisch. In Vaison is de zondagsmarkt volop aan de gang. Ik heb een kortstondige blik op het middeleeuws karakter van deze stad, voordat ik mijn weg naar verder opzoek. Zoals eerder wenste ik mij meer tijd toe, om te slenteren door de straatjes, te praten met de bewoners, en langer te verblijven in deze sfeer, die rust, kalmte en goedmoedigheid uitstraalt. Maar nog steeds, nee weer, ben ik een man met een missie. Ik moet zover mogelijk terug naar huis zien te komen in beperkte tijd. Het uitrijden van Vaison valt tegen. Was ik hier eerder ook, in een vluchtige rit richting de Ventoux, per auto? Het moet zo geweest zijn, ik herken hier niets.

Frans Limburg

De weg naar het platteland begint met een klim. En plat is overdrachtelijk en staat hier voor rust en kalmte, helemaal niet voor vlakke weg. Bovenaaan laat ik Godsdorp rechts liggen en begin ik aan een lange afdaling met een schitterend uitzicht op de heuvels tegenover deze helling: daar mag ik zometeen weer tegenop ploeteren. En daarna wachten er natuurlijk nog meer hellingen en erger. Het waait, natuurlijk want ik rijd in volle vaart berg af. Maar nee: het waait sowieso. Aan deze kant van de helling staat een straffe wind, die was er daarnet nog niet: noord-noord-oost. Precies vanuit de richting waar ik naar toe wil. Ik volg een stukje de D94, lichtelijk bergop voordat ik weer rechtsaf de D20 op kan, inderdaad omhoog, de hellingen die ik daarstraks van ver al zag liggen. Hier ben ik weer beschut voor de wind uit het noorden. Eenmaal boven begint deze wind mij aardig tegen te werken in mijn plan om naar Valreas te rijden en vandaar verder de route op te pikken naar Saou. Mijn goede zin verdwijnt als sneeuw voor de zon, die nog wel schijnt maar niet meer zo verwarmt als achter de groene heuvels die achter mij liggen. Tot Visan gaat het nog redelijk, daarna buigt de weg verder noordwaarts en heb ik de wind pal op kop.

Dan verandert het landschap ook, het is vlakker, eentoniger. De weg is rechter, ik kan einden voor mij uitkijken naar de volgende lichte glooing in het landschap. En de wind blaast maar in mijn gezicht, blaast hard in mijn gezicht. Elke trap kost mij moeite, zodra ik de druk even laat vieren op de pedalen voel ik dat mijn snelheid sterk terugloopt. Ik probeer een normaal tempo voor vlakke weg vol te houden, 20 per uur, dat moet toch wel kunnen. Wat ik in mij heb geef ik, met al mijn wilskracht duw ik mij en mijn fiets met bepakking tegen de wind in. De volle tassen dienen uitstekend als zeilen, in dit geval de verkeerde richting op. Het tempo zakt naar 16 per uur, ik verbijt mij, probeer even rust te pakken, maar ook met dit tempo kost het me nog moeite tegen de wind op te boksen. Het gevoel dat ik stilsta bekruipt me, dit moet sneller kunnen, een paar minuten houd ik 18 per uur vol maar moet dan weer toegeven op de wind die steeds bruter mij op mijn plaats zet: "terug zul je" lijkt de wind mij te vertellen. Mijn goede humeur van vanochtend, na het vaststellen dat ik weer een nieuw mooi doel voor ogen had, heeft plaatsgemaakt voor de pest in mijn lijf. En op de heenweg had ik in deze streek ook al tegenwind!

In plaats van de gedachte: "ach op de Ventoux ben ik uiteindelijk ook bovengekomen", denk ik steeds maar: "deze wind is nog tien keer erger dan een Mont Ventoux". Net op de D94 stond een bordje "Orange 25 km". En toen reed ik haast voor de wind. De gedachte aan een trein komt in mij op. Vanuit Orange en dan naar huis. Binnen een uur kan ik in Orange zijn, misschien sneller. En dan ben ik verlost van deze beproeving. Is dit vakantie? Ach vanochtend opstappen was gewoon uitstel van executie. Ik had gisteren toch al besloten nooit meer te fietsen? Nou dan kan ik er nu ook wel mee ophouden. Ik hoef alleen maar mijn fiets om te draaien, een stukje terug te rijden en de D94 naar Orange te pakken. Hoe moeilijk kan dat zijn? Terugfietsen? Of tegen de wind in fietsen? Weer de vraag wat nog minder mijn ding is. Tergend langzaam kom ik vooruit, inmiddels met ongeveer 13 per uur en het gaat steeds langzamer. Er volgt een hellinkje omhoog, glooiend, maar toch. En weer een vlak stuk. De wind is vlagerig, ook niet ideaal om te surfen denk ik nog. Weer een ruk aan mijn stuur als een vrachtwagen mij passeert. Ik trap nog wel, maar de gedachte aan trein en Orange neemt bijna alle kracht uit mijn lichaam weg. Nu heb ik erg slechte zin. Heel erg slechte zin. En geen zin meer in fietsen tegen deze wind in. Ik twijfel hevig, ben moe en heb dorst. Ah, mijn lichaam klaagt, eindelijk! Ik stop bij de eerste beste gelegenheid, dat is precies hier waar ik ben, want ik doe geen trap meer nu.

Een klein landweggetje rechts, iets dieper uitgesleten dan het land waar het doorheen trekt. Mijn fietst leunt tegen de rand van de geul die de weg vormt. Wat boompjes waarachter ik probeer uit de wind te staan, dat plast wat makkelijker. Al etend sta ik zowat te huilen van uitputting, twijfel en verslagenheid. Dit is meer dan tien keer erger dan de Ventoux gisteren. Geef mij maar een berg oprijden, desnoods met bepakking. Als er maar geen wind is! Langzaam kom ik bij van de inspanning. Waarschijnlijk ongemerkt heb ik een uur op vol vermogen tegen de wind in gefietst en ben ik naar mijn gevoel amper opgeschoten. Dit gaat zo niet langer, ik moet nu en hier beslissen wat ik wil en hoe ik dat ga aanpakken. Mijzelf zo afbeulen, prima voor een dagje zoals gisteren, maar nu en hier moet ik weer terug naar de realiteit van het lange afstand fietsen. En dat gaat niet op mijn manier, maar volgens de wetten van de weg en de omgeving, de natuur. Ik sla behoorlijk wat eten en drinken naar binnen en merk snel dat dat helpt. De zware inspanning had een gat geslagen in mijn energiereserves. Dit rustmoment doet me goed, de twijfel slaat om in vastberadenheid. Ik blijf gewoon fietsen, niks Orange, niks trein. Ik ga door en ga ervaren hoe ik wel tegen de wind in kan fietsen, als het kan met een smile op mijn gezicht.

Opgestapt begin ik met 16 per uur. Dat is te zwaar, ik merk ondanks mijn hernieuwde energie dat ik hierbij snel vermoeid raak. Ik denk aan gisteren, hoe ik op de steilste stukken probeerde een juist tempo te vinden. Die tactiek herhaal ik hier. Ik vertraag, niet met 1 kilometer per uur, maar meteen met 3. Ik doe alsof ik omhoog rijd. 13 per uur, het lukt net, ik ga nog wat langzamer, 11 per uur. Hé, dit gaat gemakkelijk. Na een kwartiertje fijntunen kom ik op 13 per uur uit. In de verte zie ik de contouren van Valreas opdoemen. Het lijkt dichterbij dan ik verwachtte. Slechts zeer langzaam nader ik, wel een half uur heb ik het idee dat ik er bijna ben, en toch kom ik maar amper dichterbij. Mijn beproeving is nog niet over, toch lukt het me steeds beter mij niet te laten verleiden het tempo te verhogen. Ik hou vast aan het trage ritme, noodgedwongen om de wind het idee te geven dat zij wint. Uiteindelijk sta ik dan in het centrum van Valreas. Het voelt als een overwinning wanneer ik op het dorpsplein op een bankje plaatsneem voor mijn lunch. Dit heb ik alvast gehaald!

Petjesbrug

Om wat van de 'verloren' tijd goed te maken bekort ik mijn pauze tot een half uur. Hier op een pleintje in het centrum, net in de zon maar met een frisse bries, is dat ook meer dan genoeg. Ik koel snel af. In dat halfuur loopt er één iemand voorbij, een verdwaalde zwerver. Op zondag zijn de franse dorpen leeg, iedereen zit op de campagne voor een BBQ. Op goed geluk fiets ik de verkeerde richting in het dorp uit. Ik ben op zoek naar de route maar te lui om even op de kaart te kijken. Uiteindelijk besluit ik toch maar om om te keren, via de gekozen weg zal ik Taulignan niet bereiken. De met de lunch uitgespaarde tijd is zo weer ingeleverd. Ik sla aan het rekenen, het is nu nog voor tweeën. Met dit tempo en nog een stevige klim voor de boeg is het minstens 4 uur fietsen naar Sao. De tegenwind erbij en wat speling voor korte pauzes zou ik daar rond zessen kunnen zijn. Dat is een mooie tijd om aan te komen.

Na Taulignan wacht mij de klim naar Aleyrac, 7 kilometer bergop fietsen. Da's bijna een uur. Eénmaal het dorp uit begint de weg te stijgen. Na een paar kilomter heb ik wat beschutting tegen de wind van boompjes aan de kant van de weg. Maar nu het toch niet zo snel meer gaat is het voornamelijk de zwaartekracht die ik heb te overwinnen. En dat bevalt me heel wat beter dan het tegen de wind in beuken. Het klimmen valt me mee en mijn goede zin keert terug. 'Plink' klinkt het rechtsachter mij. Een steentje spat weg van onder mijn achterband. "Steentje?" He wacht eens even, is dat wel een steentje? In een fractie van een seconde besef ik dat dit het mij inmiddels wél bekende geluid van een brekende spaak moet zijn. "Nee, hè!" "Toch niet net nu ik lekker de berg aan het op fietsen ben." Er dringen opeens meerdere gedachten naar voren die aandacht vragen. "Ga ik vandaag Sao wel halen?", "Lukt het me om de spaak te vervangen?", "Moet ik misschien terug naar Taulignan?", "Kan ik vandaag nog wel fietsen?" en zo rommelt het door in mijn hoofd. "Ho stop". Actie nu. Ik stop en loop naast mij fiets een paar meter verder al turend naar het achterwiel. Ja duidelijk een gebroken spaak, ik zie ergens een spaak uit het patroon steken. Zo te voelen valt de slag mee, de rem loopt nog niet aan. "Had ik in Malaucène toch niet alle spaken moeten laten vervangen? Hoeveel spaken breken er nog op de weg terug? Heb ik wel gnoeg reserve spaken?" Even niet aan denken nu. Aan de andere kant van de weg is een grasberm, beschut door wat bomen. Daar ga ik proberen de spaak te vervangen.

Tassen eraf, fiets op de kop, band leeg, buiten en binnenband laat ik erop zitten. Binnen tien minuten ben ik zover om de spaak erin te vlechten. En binnen een paar minuten is dat ook gelukt. De oude spaak draai ik uit de nippel, de nieuwe erin. Nu nog even op spanning brengen en controleren of de slag niet te groot is. Dat valt heel erg mee. Het wiel rustig rondraaiend met mijn duim net tegen de velg besluit ik dat het zo goed moet zijn, ik heb een licht slagje eruit weten te draaien. Een beetje ongerust constateer ik dat dit de volgende spaak in het rijtje is, er zitten drie blinkende spaken naast. Die waren vrijdag al vervangen. Is het de goden verzoeken om te voorspellen welke spaak de volgende is die breekt? Ondanks dat: nog steeds zweeft er een engeltje rond, weer een breuk aan de goede kant van het wiel, daar waar de pignon niet zit, links dus. Oh en overal is een logica voor, maar hier en nu heb ik die nog niet ontdekt. Da's iets voor een volgende reis. Iets meer dan een half uur en ik zit weer op de fiets. En ik heb ook weer zin om te fietsen, dat is het fijne van zo'n mankement. Het leidt je even totaal af van waar je mee bezig was, een mooi intermezzo, als het niet te lang duurt. Weer fietsend bedenk ik dat mijn schema nu overhoop is. Zes uur Sao kan ik echt wel vergeten. Het is al vier uur geweest en vanaf Begude is het nog ruim een uur naar Sao. Ik besluit dat wanneer ik voor zessen in Begude ben, dan mag doorrijden naar Sao. Anders moet ik in Begude of Pont de Barret de camping opzoeken. Het omhoog fietsen gaat me nu nog makkelijker af dan daarstraks, het succes van het spaak vervangen geeft me een mentale opkikker. Na de paar haarspeldbochten volgt nog een steil stukje en veel eerder dan verwacht ben ik boven.

Saou in zicht

In de afdaling heb ik al mijn aandacht nodig bij de weg. Het slingert hier naar beneden en het tempo ligt ver boven de vijftig. De gebroken spaak ben ik alweer vergeten. Af en toe toetert een auto mij naar de kant, het kan altijd harder. Ik herinner mij hoe ik hier iets meer dan een week geleden met veel moeite omhoog reed. Een week geleden, het lijkt veel en veel langer terug, in mijn gedachten ben ik al maanden onderweg. Op het rechte stuk trap ik bij ook al gaat het met ruim veertig per uur naar beneden. In de verte zie ik het kruispunt van Begude al liggen, het is bijna zes uur, ik kan het nog halen. Het bereiken van Begude geeft een verlossend gevoel. Ik voel me vrijer, nu ik gewoon door kan fietsen naar Saou. De wind is ook wat afgenomen en de ruis in mijn oren daarmee minder. Dat geeft ook rust aan mijn hoofd. De avondzon zet het landschap in een oranje gloed en voorbij Begude op het smalle slingerend weggetje naar Salettes. Er is geen verkeer meer, niemand op de weg. De rustige fietsuurtjes van de dag, zoals Pieter ze al benoemde op mijn derde dag van deze reis, na zessen is het heerlijk rondtrappen. Je ergste vermoeidheid ligt achter je, de cadans zit zo in je lijf en fiets dat het vanzelf gaat, de temperatuur is aangenaam en het licht zo zacht dat zelfs een vuilnisbelt daarin mooi lijkt. De wereld ziet er rond dit tijdstip gewoon beter uit. Ik geniet weer volop en vooral ook van het vooruitzicht om straks in Saou te mogen slapen. Daar verheugde ik mij al op toen ik op de heenweg er voorbij reed.

Rond half zeven ben ik in Pont-de-Barret. Heel even kijk ik er rond, maak wat foto's en ga weer verder. Bij Soyans geniet ik van het uitzicht op de rotsen aan de overkant. Wat een prachtig woeste natuur hier. Ik droom even weg bij de gedachte om hier in het wild te kamperen, zo aanlokkelijk ziet het er uit. Goed ik heb in elk geval wat foto's en wie weet... In Saou fiets ik zo enthousiast door dat ik het piepkleine bordje dat naar de Camping Municipal de Saou wijst, voorbij rijd. Na honderd meter wijst mijn onderbewuste mij erop dat het bordje toch geregistreerd is, ik keer maar eens om. Een smal stenig pad leidt omhoog. Vanaf de weg is er geen camping te ontdekken. Even vermoed ik dat die er ook niet meer is, dat ze alleen nog vergeten zijn om het bordje weg te halen. Dan aan de linkerkant een heel steile kuilen weg omhoog en op diverse scheef lopende terassen tegen de helling aan staan verspreid een dertigtal tenten. De wind is inmiddels weer aangewakkerd nu de zon achter de bergketens is verdwenen. De receptie ligt boven, natuurlijk. Ik schat de helling in. Geen mooi asfalt, maar grint, kiezel, grote stenen en een kuilen/karrenspoor. Even probeer ik mijn hybride fiets in te zetten als mountainbike. Het lukt ook nog! Iets verder voor mij een strookje gestort beton, daar waar ik de receptie vermoed. Ik haal het net, maar op het beton kom ik toch tot stilstand, ik ben er.

Kwart over zeven, ik parkeer mijn fiets tegen het gebouwtje en loop over de veranda naar binnen. Toiletten, douches, een grote keukentafel, gootstenen, wasbakken, een groot gezin dat aan de tafel zit te eten, bonjour, bonsoir. Het gebouw is niet meer dan een betonnen geraamte dat steun biedt aan het dak. Aan één kant is geen muur, zodat je daar weids uitzicht hebt over de camping, je zit buiten, maar wel beschut. De veranda loop onderlangs en een trapje brengt je naar het zitgedeelte. Er is een kamertje waar de receptie is, een koelkast, een burootje en een tafel. Plattegronden en informatiefolders aan de muur. Allemaal beschreven met extra informatie. Aan de familie vraag ik of er een beheerder is. "Ja die loopt rond op de camping, zet je tent maar neer, hij komt wel naar je toe." Ik heb zin in bier en bunkeren en wil eerst even bijkomen. Een man met baard, type jaren zestig hippe komt de stenen trap omhoog gelopen en op mij af. We schudden elkaar de hand, ik ben zeer welkom zegt ie. We praten wat over de camping, mijn reis, de omgeving en zijn historie. Dan maant hij mij om mijn tent op te zetten, de afhandeling komt daarna wel. "Is er wat te drinken?" vraag ik, inmiddels zeer dorstig. Hij toont mij de koelkast en de afstreeplijst. Er is geen bier maar wel cola. Ik neem er twee en ga op het stenen trapje zitten bijkomen, de beheerder gaat weer door met zijn werk: beheren. Ik geniet van dit moment, even helemaal niets hoeven, en genieten van wat er om mij heen gebeurt.

Wanneer de cola op is sleep ik mijn fiets naar een plekje niet ver van het gebouwtje. Mijn belangrijkste comfortwens, niet te ver van de toiletten en douches: "ik haat lopen". Ruim een kwartier ben ik bezig om de grond vrij te maken van stenen. De wind bemoeilijkt het opzetten van de tent, ik ben in totaal een half uur bezig. Voor het eerst deze reis plaats ik ook wat extra scheerlijnen om de tent te beschermen tegen neerklappen door de wind. Half negen neem ik plaats aan de keukentafel, de familie is net klaar met eten en volop aan het afwassen. Ik ga zitten naast een grote rossige vent, Marc uit Nederland. Hij zit te schrijven in een schriftje en zo raken we in gesprek. Anders dan ik schrijft hij aan een boek dat niet gaat over de reis die hij maakt. Hij gebruikt het reizen juist als afleiding om te kunnen schrijven. In twee weken wil hij van Avignon naar Maastricht, ongetraind. Zijn bleke huid, nu wat kreeftkleurige huid verraden dat al. Hij is groot en vlezig. Vermoedelijk ook sterk. We praten nog wat over zijn schrijverschap, hij heeft al een boek gepubliceerd, en over de reis tot aan hier. Hij vraagt mij naar de rest van het traject en in hoeverre zijn plan uitvoerbaar is. Mijn twijfel zit vooral bij zijn ongetraindheid. Hij moet zelf maar zien hoe het gaat.

Nu eerst maar eens naar de douche. Daar waait de wind ook vrolijk doorheen. Naast de straal is het klappertanden. Ik kleed me snel weer aan, haal de spullen die ik nog heb om te eten, was eerst mijn kleren en ga dan weer aan de keukentafel zitten. Marc schrijft er, terwijl ik eet. Inmiddels is het al elf uur, ik werk hier mijn logboek nog even bij en zoek dan in het pikkedonker mijn tent op. Bij het geloei van de wind val ik, glimlachend bij de gedachte dat ik toch in Saou zal wakker worden, in een diepe slaap. De berglucht hier is een prima Klaas Vaak.

TerugVooruit

2 opmerkingen:

antifries zei

Hoi Rob, het was weer een zware dag... Maar de beloning was zoet: dat beroemde 'gouden uurtje' wanneer de zon zakt en de wind gaat liggen en de hele wereld tot rust lijkt te komen, inclusief jezelf. Mooi beschreven allemaal. Groet, Arthur

RobT zei

Dank. Ja dat gouden uurtje: heerlijk. Plus het slapen in Saou. Of beter nog: het ontwaken tussen de bergen.